Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bü den mensch zijn , volgens Valentin (1), de peesvezelen reeds tegen het einde der derde maand als doorschijnende cilinders te herkennen en van de spiervezelen bepaald gescheiden. Hij noemt ze dikker dan later; waarschijnlijk zag hij ze vóórdat zij in iibrillen waren verdeeld. Het interstitiële bindweefsel is in het begin der vierde maand op vele plaatsen, b.v. aan den rug, volkomen gevormd (2).

Van alle weefsels wordt, op de opperhuid na, geen zoo gemakkelijk geregenereerd als het bindweefsel. Verlies van zelfstandigheid, waarin dit weefsel alleen betrokken is, wordt dien ten gevolge vrij volkomen weder aangevuld, en het likteeken is van den normalen vorm later slechts daardoor onderscheiden, dat het uit vast verscherp zijn, worden allengs meer en meer onbestemd, verloonen zich daarna nog slechts als eene matte schaduw om de kern, die intusschen ook langwerpig is geworden, en verdwijnen eindelijk geheel. Van nu af aan zou de glasheldere en gelijkvormige bindstof de eigenschap verkrijgen om zich in rimpels en plooijen te leggen.

EichhOIT (Müiler'S Archiv, 1845, lleft V, p. <435) gelooftde ontwikkelingsgeschiedenis van het bindweefsel in de longen te hebben nagegaan, door eenige afgeschraapte stof van de doorsnede van kinderlongen onder het mikroskoop te brengen. Hij vond daarin vrije kernen, ronde en ovale kerncellen, verlengde en aan de randen met elkander verbondene cellen, eindelijk kernen, die door fijne jvezels met elkander verbonden schenen, vezels, die in azijnzuur bleeker werden. Hij brengt als zijn gevoelen uit, dat deze verbindingsdraden uit de cellen, niet uit kernen ontstaan, en de genoemde vezels peesvezels zijn, beide, volgens IIenie, zonder voldoende bewijsgronden (verg. Canstatt's Jahresbericht 1845, I, p. 56).

Vert.

(1) Entwichelungsgeschichle, S. 270.

(2) Omtrent den groei van hel bind- en peesweefsel hebben de mclingen van IIarting eenige ophelderingen gegeven. De 'breedte der bindweefsel-fibrillen (verg. zijne Recherches etc., p. 53) bedraagt bij het foetus 0.0010—0,0014, bij volwassenen 0,0007—0,0017 ''; zij neemt derhalve in de latere levenstijdperken niet aanmerkelijk toe, waarvan het gevolg is, dat het aantal der fibrillen zich moet vermeerderen, hetgeen , zoo als IIarting gelooft, door splijting zou plaats hebben. Eene vergelijking van de pezen van embryones met de gelijknamige pezen van volwassenen deed zien, dat zich in den ouderdom hoofdzakelijk het vormlooze bindweefsel tusschen de peeshundels vermeerdert, en dat de peesbundels wel is waar in dikte, maar ook in aantal toenemen. De doormeting der primaire bundels bedroeg bij pasgeborenen O,OOG—0.0138, bij volwassenen in een geval 0.0107 tot 0,0228, in een ander geval 0,0138—0,0259. bij eene vrouw 0.0128—0,0238 ''.

Vert.

Sluiten