Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cn atrophiscli wordt, en bij eene hypertrophie van het bindweefsel de omvang der organen desniettemin in het geheel afneemt, zoo als b. v. bij de zoogenaamde cirrliosis van lever en longen.

Of bij de regeneratie van sereuze vliezen de opperhuid op nieuw gevormd wordt, is nog niet uitgemaakt. Thomson kon, als hij een stuk der pleura had weggenomen, geen likteeken vinden (1). Gewoonlijk echter wordt een sereus vlies na kwetsing of ontsteking niet op nieuw gevormd, maar de sereuze oppervlakten groeijen onmiddellijk met elkander aaneen, of er vormen zich strengen, brides, uit bindweefsel. Indien ontwrichte beenderen buiten het gewricht blijven liggen, dan vormt er zich op dc plaats, waarop zij rusten, dikwijls een zak, die veel overeenkomst bezit met de synoviaalvliezen, en wordt ook met vloeistof gevuld (2). Men bezit geene meer naauwkeurige onderzoekingen daaromtrent.

Bij de regeneratie en accidentele vorming van bindweefsel worden de vezels waarschijnlijk op soortgelijke wijze als bij de eerste vorming uit cellen voortgebragt (5), en men vindt achtereenvolgend hunne verschillende ontwikkelingstrappen, wanneer men de granulatie op etterende oppervlakten van boven naar onderen toe laagswijze beschouwt. De jongste cellen (de bovenste laag) vertoonen daarbij het eigenaardige, dat hare kern uit 2—4 kleinere korreltjes is zamengesteld, of, wanneer zij eenvoudig is, in even zoovele stukjes door maceratic in water of door behandeling met azijnzuur kan worden verdeeld (4).

(1) E. H. Weber cn IIildebrandt's Anulum. I, 376.

(2) PaCX.1 , De ruin. sunand. p. 95.

(3) Vcrgcl. It. Fhoriep, Klin. Ku]>fe>t. 11 Lief., Taf. LXl (Pseudomembran des Uerzheulels). — üe.nie, Schleim- and Eiterbildung, S. 55 cn volg. (Gratiulalionen, directe Reuiiiun).— G. Simoji', in .Müeeer's Archiv , 1339, S. 17 (Kondylomc).

(4) Omlrcnl dc regeneratie van liet bindweefsel in exsudatcu worden liij F. GüNSblrg ( Die pathologische Geu-ebslehre lid. I, S. 4, 9) eenige opmerkingen aangetroffen, die, zoo als Henle zegt (verg. Caüstatt's Jahresbericht, 1845, Bd. I, S. 56) niet goed zijn te begrijpen. In de diepere lagen van een pleuritisch exsudaat kwamen langwerpig ovale cellen voor van 0,0065—0,0090' ' lengte, met eene kern van eene langwerpig ovale gedaante en die uit verschillende ligchaampjes en ondoorschijnende kernmassa (?) gevormd was, vrij of lidvorniig (?) tot ciiinders verbonden. In dc diepere lagen waren dc ccllcn volkomen tot vezels

Sluiten