Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Yan den eertijds aangenomen sereuzen damp kan, na hetgeen daartegen door S. Davy (1), J. Muller (2) en E. H. Weber (5) is in het midden gebragt, geene sprake meer zijn. Of de holte der arachnoïdea vloeistof bevat, is nog aan twijfel onderworpen; in het borstvlies, het hartezakje en het buikvlies is hare hoeveelheid gering; zij hoopt zich echter na den dood meer op, ook wanneer gedurende het leven de voorwaarden voor eene vermeerderde uitzweeting niet aanwezig waren. Dikker en taaijer is de wei dei sereuze gewrichtskapsels; zij wordt synovia (lidvocht) genoemd; en de sereuze vliezen, die het insluiten of, zoo als men zegt, afscheiden , worden door eenige ontleedkundigen, nevens de pseudosereuze vliezen, als synoviaalvliezen onderscheiden. Alle sereuze vliezen nemen grootere hoeveelheden van serum op, zoodra onder de bovenvermelde omstandigheden de doorzweeting uit de bloedvaten ten gevolge van algemeene of plaatselijke oorzaken verhoogd is. Zoo als bekend is, kan dit proces door inspuiting worden nagemaakt , daar de gekleurde deeltjes van de ingespotene massa in de haarvaten wordt teruggehouden, terwijl de vloeistof als een kleurlooze dauw op de oppervlakte der holte verschijnt. In de synoviale vliezen komt de wei slechts uit het vrije gedeelte van het sereuze vlies, niet uit dat, hetwelk met het kraakbeen is aaneengegroeid (4).

Op die wijze laten zich derhalve ook de uitstortingen in sereuze holten verklaren, zonder dat men evenwel de sereuze vliezen als de afscheidingswerktuigen beschouwen mag. Ik kan zelfs niet eens aan hunne opperhuid eenen wezenlijken invloed toekennen; want indien hunne cellen ook al hier en daar vele punten van overeen komst met de cellen der afscheidende vliezen aanbieden, zijn zij daarentegen op andere plaatsen, b.v. in de gewrichten, plat en als het ware verdroogd, even als de cellen der epidermis; het zijn ook juist de epitheliumcellen der sereuze vliezen, die'bij eene eenigzins snel vermeerderde doorzweeting het eerst afgestooten worden;

(1) Pliylos. transact. 1822, II, 273.

(2) Physiol. 1, 428.

(3) De civitatibus c. li. materiis solidis et liquidis plane e.vpletis in PosiNF.LLI Additamentn quaedam ad pulsus cognitionem. Lips. 1838.

(4) Gekdrin, Beschreibung der Entziindung, iibers. v. IlADtüS, I, 49.

Sluiten