Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt, maar even zoo min als het bindweefsel op eenen galranischen prikkel reageert. J. Muller, Berl. encycl. Wörterb. Art. Erection. Yalentin, Mülleii's Archiv, 1858, S. 200.

Wanneer men de meeningen vergelijkt, die omtrent den aard van het bindweefsel op verschillende tijden hebben geheerscht, dan leert men liet mikroskoop hoog waardeeren. Later dan de overige, tot eene grootere massa zich bijeenvoegende elementaire deelen van het ligchaam is er op het vormlooze bindweefsel acht geslagen, en door de oudere ontleedkundigen is het slechts bij gelegenheid aan een onderzoek onderworpen. Nadat eerst Maipighi , van de beschouwing van den panniculus adiposus uitgaande [De otnento, pinguedine et adiposis ductibus in Opera onmin, 1684), aan hetzelve een celachtig, met de honigraten overeenkomstig maaksel toegeschreven en Albiscs (Specim. inaug. ex h. novam tenuium hominis intestinorum desct iptiuiiem, L. B. 1 <22) door opblazing ook aan de netten liet celachtig maaksel aangetoond had, nadat op deze gronden het dierlijk bindweefsel met het stijve bindweefsel der planten verkeerdelijk op ééne lijn gesteld was, verklaarden Borbeu (Recherches sur le lissu muqueux, Paris 1767) en C. F. Woiff (IV. A. acad. Petrop. VI, 1790, p. 259) hetzelve voor eene geleiachtige, vveeke zelfstandigheid, zonder vorm en maaksel, zonder vezels en vaten, die slechts door uitrekking in draden en platen zou uitgespannen worden en na den dood door stremming tot vezels en platen zou verstijven. De uitstckendste geleerden van lateren tijd, Blcmenbach(Inslit. physiol. Gott. 1798, p. 21), DüuifiGER (Was ist Absonderuvg? 1819, S. 20), Meckel [Anat, 1814, I, S. 116), BcdOlphi (Physiol. I, 1821, S. 73) en IIedsixger (Histologie, 1822, S. 124) sloten zich aan deze meening aan, en de natuurphilosofen vonden in het celweefsel de eenvoudigste, algemeene oorspronkelijke stof (Urstoff), waaruit de anderen zich ontwikkelden. Zij verwisselden gelijktijdig het bindweefsel met het doorschijnende en zoogenoemd vormlooze blastcma, het aggregaat van elementaire cellen, waaruit alle weefsels van het embryo ontstaan. Aan deze meeningen is het bindweefsel vele der in lateren tijd in zwang gekomene namen, als slijmweefsel, oorspronkelijke dierlijke slof, vormweefsel en anderen, verschuldigd. Zelfs Trevirinds, die in het jaar 1816 (Ferm. Schr. I, 125, fig. <4) het bindweefel uit teedere, lichte, gekronkelde cilinders en kogeltjes zag zamengesteld, trok deze meening later weder in, en uitte het vermoeden, dat de draden door het uileentrekken der vormlooze slijmstof waren ontslaan (E. II. \\ eiihr, Hildebr. Anat. I, 136), hetgeen ook E. II. Weber bevestigde (t. z. p. 237).

Eene bclere opvatting van het vormloos bindweefsel, die op mikroskopisch onderzoek gegrond was, bezaten reeds Mcts (Muscul. artif. fabricn, 1751, p. 283), die het vlies, dat de pezen omgeeft, onderzocht, en FoNTANA (Viperngift, S. 389, Taf. V, fig. 4, 5). De laatste verloor echter het vertrouwen, daar hij dezelfde gekronkelde vezels, die hij in het lossere bindweefsel, in het neurilema, de pezen, fibreuze en celvliezen naauwkcurig waarnam, later ook in de haren, tanden, beenderen, ja aan alle anorganische zelfstandigheden verzekerde te hebben w aargenomen. Sedert de invoering van verbeterde mikroskopen, en wel sedert het jaar 1833, zijn alle onbevooroordeelde waarnemers het omtrent de structuur

Sluiten