Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van liet bindweefsel volmaakt eens, en liet is ten gevolge van de eigendommelijke gesteldheid der primitiefvezels, die door allen is erkend, hoven twijfel verheven.

dat de draden en plaatjes geene kunstproducten zijn, en ook in liet levende lic-

i cliaam op dezelfde wijze hestaan, als zij zich hij de bereiding voordoen cn door v. Bergen (Progr. de membr. cellulosa, 1732, Halieri Disp. sel. III, 79), IIalier (Elem. pliysiol. I, 8) en Biciiat (Anat. gen. 1, 58) zijn voorgesteld.

Nagenoeg gelijktijdig en onafhankelijk van elkander hebben Kiiacse (Anat. I,

1833, S. 13), R. Wagner (Vergl. Anat., 1834, S. Gl), Laütb, (VInstitut,

1834, n°. 57) en Jordan (Müller's Archio, 1834, S. 419, Taf. IX, lig. 1—4) de elementaire deelen van het bindweefsel met gepaste vergroolingen onderzocht, en vooral heeft Jordan het zoo beschreven, dat zijne opgaven sedert dien tijd

| slechts konden bevestigd worden. Kradse nam behalve de draden klompjes waar die door uitrekking gedeeltelijk in vezels konden veranderd worden, zonder twij] 'c' bijgemengde en opgerolde kernvezels; R. AVagner geeft de dikte der vezels te hoog op, cn heeft zeker ook, behalve de primitive fibrillen, primilive bundels gemeten; Lauth heeft daarin gedwaald, dat hij aan de elementaire cellen van liet bindweefsel varicositeiten heeft toegekend, die door dunnere gedeelten zouden i zijn gescheiden.

In overeenstemming met Jordan werd het bindweefsel ook beschreven cn afgebeeld door R. Frorjep (Giüge, Observat. nonnull. microscop. 1835, lig. 1, 2, 5), Treviranos (Beilrage, Heft 2, 1835, S. 15, Heft 4, fig. 1), Pailücci ([filters. über d. Zellgewebe, 183G, fig. 9), Val ent w (Verlauf und Enden der Nerven, 1836, Taf. III, fig. 9), Gdrjlt (Pliysiol. 1837, Taf. I, S. 19, fig. 1, 3), Skey (Philosoph. trans. 1837, Tab. XVIII, fig. 4), v. Byiandt (Disq. circa telam ceUulosam, 1838, p. 29), E. H. Weber (Rosenmüller's Anat. 1849, S. 44), Gerber (Allg. Anat. Taf. I, fig. 19, Taf. IV, fig. 73, c). Pallüccl neemt ook eene korrelige massa aan, die, door zich in rijen te vereenigen, draden zou vormen; hij werd daartoe door eene optische misvatting geleid, waarover reeds in de inleiding sprake was. Onder den naam van peripherische lijinplievaatjes beeldt Berres op verscheidene plaatsen geïsoleerde vezels van los bindweefsel af {Mikrosk. Gebilde, 1836, Taf. V, fig. 1,4,6). De beteckenis, die hij er aan toekent, is, zoo als van zelf spreekt, zuiver willekeurig.

Aan veel minder twijfel was de zamenstelling van het gevormde, fibreuze weefsel onderworpen. Van de peesvezels gaf Leeuwenhoek reeds eene zeer karakteristieke afbeelding (Opera, T. II, p. 110, fig. 13); maar hij kende daaraan verkeerdelijk een spiraalvormig in plaats van een gekronkeld beloop toe. Zelfs aan de sereuze vliezen werden de primitiefdraden door Ba-glivi (Opera omnia, 1704, p. 399) en Mots (Musc. fabrica, 1751, p. 283) herkend.

Fontana's afbeelding der pcesvezelen (Viperngift, s. 386, Taf. VI, fig. 3, 4) < en zijne opgave omtrent de punten, waarin zij van spier- en zenuwvezelen zijn onderscheiden, is hoogst naauwkeurig. Nieuwe afbeeldingen worden bij Jordan ! (%• 5i6), Glüge (fig. 3), Eüienberg (De tela elastica, 1836, fig. 7), Berres (fig. 24), Gdrii (fig. 7, 8), Gerber (Fig. 49—52) gevonden. Treviranüs zegt ■ van de fibreuze vezels, die hij bandvezels noemt (Beitrüge, Ileft 2, 1835, S.76) dat hare bundels in de sclerotica in eene schcede zijn ingesloten, die in wijngeest

6*

Sluiten