Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de cellen van liet vet en die van het bloed in hare verhouding len opzigte van azijnzuur vertoonen. Van beiden wordt het omhulsel in sterk azijnzuur opgelost; bij eene langzame inwerking worden echter de bloedligchaampjes eerst grooter, en bersten voor dat de schil is opgelost; de vetcellen worden van den beginne af aan kleiner. Dit onderscheid kan slechts daarin gelegen zijn, dat bij de bloedligchaampjes de inhoud zelf eene,scheikundige aantrekking op het azijnzuur uitoefent, en dit bij gevolg in de holte der cel doet indringen, terwijl bij de vetcellen de inhoud zich niet met azijnzuur kan vermengen en er daarom geene endosmose plaats heeft (1).

Er komen ook nog andere vormen van vetcellen voor, die misschien slechts ontwikkelingstrappen der tot nog toe beschrevene zijn. In een waterzuchtig lijk vpnd ik het vet in het bindweefsel onder de huid van den schenkel weinig opeengehoopt en eigenaardig gekenmerkt door eene sterk gele kleur, die bij de beschouwing met het bloote oog reeds merkbaar was. Onder het inikroskoop zag men op het eerste gezigt ronde en ovale, gele vetblaasjes, waarvan de grootste 0,00S3, de meeste 0,0044"' doormeting bevatteden ; zij lagen afzonderlijk en in tamelijk regelmatige afstanden van elkander, zoo dat zij een zeer fraai beeld gaven; de meeste dezer vetblaasjes waren met hoopjes van kleinere, even eens geelachtige vetkogeltjes omgeven. Bij eene zorgvuldige*bereiding bleek het, dat elk der grootere blaasjes met de in het rond liggende kleinere in eene lichte, gekorrelde, meestal ovale cel ingesloten was, welker langste doormeting niet ligt meer dan 0,012'" bedroeg. Deze cellen lagen afzonderlijk langs de haarvaten; van daar hare regelmatige verdeeling. Aan vele vetblaasjes ontbrak de schil; om anderen was zij zeer naauw; enkele malen lagen er twee groote blaasjes met verscheidene kleinen in eene schil bijeen. Aan de grootsten waren, hoewel zeldzaam, soortgelijke stervormige figuren zigtbaar, als hierboven bij de gewone vetcellen werden beschreven.

(1) Volgens Moeder cn Donders (Proeve enz., 638) Lieden de vetcellen langen tijd aan de inwerking van polassa wederstand. Na toevoeging van water weid een buitenst vlicsje, waarvan IIexie (Canstatt's Jahresb. 1846, 1, Gt) meent, dat liet uil bindweefsel cn haarvaten bestaat eindelijk opgelost, maar bleef liet binnenste onveranderd. Yert.

Sluiten