Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterven, omdat gedurende eenen tijd lang hunne aanraking met normaal voedingsvocht is opgeheven geweest, zoo ook de vetcellen, in hare voeding belemmerd, zich afstooten, waarop het vet met het bloedvocht en andere vloeistoffen, die in de tusschenruimten deiweefsels bevat zijn, door de watervaten worden opgenomen, voor een gedeelte ook door endosmose in de bloedvaten dringen en zich met het bloed vermengen. Factisch is het bewezen, dat in de genoemde gevallen, vooral na herhaalde bloed-onttrekkinoren, het vetgehalte van het bloed aanmerkelijk is toegenomen en het vet dikwijls als room boven op het bloed drijft.

Onder zekere omstandigheden hoopt zich het vet op de gewone plaatsen in eene abnormale hoeveelheid op, en er ontstaat eene ware hypertrophie van het vetweefsel, vetzucht. Tot eenen zekeren sraad is vetheid een teeken van gezondheid en van kracht der vormingswerkzaamheid. Yan eene bovenmatige voortbrenging van vet maakt echter veeleer eene zekere zwakte den grond uit; zij stelt zich dikwijls na uitputtende ziekten in, even als waterzucht, en ik zou mogen vermoeden, dat zij haren grond in hetzelfde verbroken evenwigt tusschen uitzweeting en opslorping van het bloedvocht vindt, met dit verschil alleen, dat in het eerste geval het plasma meer geneigd is om cellen te vormen. Zeer ligt wordt er ook op ongewone plaatsen vet gevormd, b.v. in het bindweefsel, dat de plaats van geëxstirpeerde klieren, de milt, de ballen enz. inneemt (1). In compacte massa's, die dikwerf eenen aaninerkelijken omvang verkrijgen, komt het vetweefsel accidenteel voor als lipoma.

Het vet der verschillende dieren is minder door den vorm der cellen onderscheiden, dan door de scheikundige gesteldheid van den inhoud. Het is vaster en weeker, talk-, smeer- of olieachtig, naarmate er betrekkelijk meer stearine of elaïne in aanwezig is. liet vet der verscheurende dieren, der pacliydermata en der vogels komt in dit opzigt het digtst bij dat van den mensch: veel vaster is het bij de herkaauwende en knaagdieren; olieachtig bij de celacea en visschen.

Ook komt er bontgekleurd vet bij de dieren voor, namelijk bij vele vogels onder de huid van den snavel en de voeten

(I) JANSSEN, De pingneiluie< p. 80.

Sluiten