Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijving der vaatrokken zullen wij nog op feiten kunnen wijzen, die deze meening ondersteunen.

Misschien grijpt zoo wel het een als het ander plaats en ontslaan de elastische vezels zoo wel uit kernen der primaire cellen, als vrij uit de tusschencelstof (even als de vezels van het vezelig kraakbeen).

De uit elastisch weefsel gevormde organen dienen, even als die, welke uit gevormd bindweefel bestaan, als banden ter verbinding van beenderen en kraakbeenderen, als vliezen ter vorming van zakken , ter begrenzing van holten en ter omhulling van spieren. Zij verzekeren echter het voordeel zoo wel eener grootere uitzetbaarheid als eener vastere ondersteuning, waardoor zij aan de uitzettende kracht beter wederstand bieden en de spieren hun werk gemakkelijker maken, waar eene aanhoudende werkzaamheid van hare zijde gevorderd wordt. Wanneer dien ten gevolge b.v. de spieren, die de wervelkolom naar voren buigen, die de bekervormige kraakbeenderen naar achteren trekken of de epiglottis naar beneden drukken, den tegenstand der elastische banden moeten overwinnen, dan wordt daarentegen de opgerigte stand der wervelkolom en het openstaan der stempleet, hetgeen de gewone toestand is, reeds door hunne elastische banden alleen bewerkt. Een elastische band kan reeds alleen als antagonist van spieren werkzaam zijn, zoo als b.v. bij den mensch het ligamentum glossoëpiglotticum, daar bij den mensch de niusc. glossoëpiglolticus, die de dieren bezitten, gewoonlijk ontbreekt.

Bij de dieren komt elastisch weefsel ook nog op andere plaatsen en hier ook nu en dan in grootere massa's voor, dan over het algemeen bij den mensch. De nekband (1), die bij de zoogdieren van de doornwijze uitsteeksels der rugwervels naar het achterhoofd gaat, bestaat uit elastische vezels. Yerder behooren daartoe bij de katten de banden., die de klaauwen terugtrekken, bij het paard en eenige andere dieren een gedeelte van het oogholtevlies (Bendz in Mülleu's Archiv, 1841, S. 196), bij

(1) Vergel. omtrent de dwarse doorsnede van den nekband en zijne scheikundige eigenschappen Stadelmann, Sectiones transver sae partium elementarium corporis humani, 1844, p. 10, en omtrent liet laatste ook Mulder en Donders, in Mclder's Proeve enz., bl. 603 cn 604. Vert.

Sluiten