Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vogels de pezen der spier, die de slagwiek houdt uitgespannen, en bij eenige soorten van struisachtige vogels een ronde band, die de penis terugtrekt. Eulenberg brengt ook nog tot het elastisch weefsel eene weinig elastische, pezige streng, die in het wervelkanaal der visschen over het ruggemerg in eene eigene scheede ligt, en uit weinig dooreengevlochtene, zeer fijne, elastische vezelen, met peesvezelen vermengd, bestaat (p. 18).

Reeds Bichat maakt melding van het verschil tusschen de gele banden en de andere pezen (Anat. génér. III, 218); Clooüet vestigde de aandacht op hunne overeenkomst met den middelsten rok der slagaders, den nekband en het vlies der longen (Anat. de l'liomme, 1821, I, 5), en vereenigde beide als elastisch systeem, waarbij allengs nog meerdere vormsels kwamen, die door elasticiteit en eene gele kleur eigenaardig gekenmerkt waren. De eigendommeiijke vezels van dit weefsel werden door Laüth (VInstitut, 1834, Pi". 57) ontdekt. Onder de leiding van SCHWANN ondernam later Kolenberg een uitgebreiden mikroskopischen en chemischen arbeid omtrent het elastisch weefsel, met inbegrip van de middelsten slagaderrok (De tela elastica, 183G), waarhij ik, voor zoo ver het eigenlijke elastisch weefsel betreft, na herbaalde onderzoekingen omtrent hetzelve nagenoeg niets had bij te voegen. Dat de anastomoses der elastische vezels door verdeeling der eenvoudige vezels zouden ontstaan, en de daarvan nitgaande takken niet vooraf in den stam gevormd zijn, zoo als Ladtü en Eulenberg opgaven en Gcblt schijnt te bevestigen (Physiol. 1837, S. 21, Taf. 1, Fig. 9), heeft tot eenigen strijd aanleiding gegeven. RHüschel (De arteriarum et venarum strucluru 1836, p. 4) houdt het voor waarschijnlijk, dat de vezels in den nekband van den os uit fijne vezels zamengesleld zijn; bij geeft hare doormeting als 0,00625'" op, waaruit zich vrijelijk vermoeden laat, dat hij geene primitiefvezels voor zicli gehad heeft. Van dezelfde meening is Vale.ntin (Repertor. 1837, S. 51), omdat men op de plaats der bifurcatie eene in den stam ingaande lijn ziet, omdat de elastische vezels van het chorion van Python tigris, na behandeling met bijtende potasch, langs geheele streken eene zamenstelling vertoonen uit evenwijdig naast elkander liggende draden, verder (MUller's Arclriv, 1838, S. 223) omdat de elastische vezels bij grootere dieren grooter zijn dan bij kleinere, terwijl wel de bundels, maar niet de elementaire deelen der weefsels met de grootte van bet dier in verhouding plegen te staan. Of de vezels van het chorion werkelijk tot de elastische behooren, is intusschen twijfelachtig; de overige tegenwerpingen acht ik van minder gewigt. Zeker zet zich de splijting van de plaats, van waar een tak uitgaat, een eind wegs in den stam voort, maar ook slechts een eind wegs, en wat de doormeting der elastische vezels betreft, zoo worden er bij alle dieren grove en fijne naast elkander gevonden. Voor de eenvoudigheid ook der breedere vezels pleit daarentegen de wijze harer ontwikkeling, welke der vermoedelijke typen zij ook volgen.

RaDSCHEL, die de vezels van het elastische weefsel en die van den middelsten rok der slagaders voor idenlisch houdt, meent dat de vezels hol zijn, omdat zich

Sluiten