Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welijks eenige kleuring op te merken; vele, met name de kleinere, bezitten echter reeds duidelijk de geelroodachtige kleur der bloedlichaampjes. II. Nasse nam waar, dat na lang vasten het aantal der roode ligchaampjes grooter is (1). Behalve deze ligchaampjes komen er ook nog andere voor, welke naar hunne kernen gelijken, afzonderlijk en ook tot 2 en 3 aaneenhangende. Zij zijn in water en azijnzuur onoplosbaar; zelden bevat de lymphe nog kleinere puntvormige ligchaampjes, die veel overeenkomst met de pigmentligchaampjes aanbieden, of grootere vetdroppels. Bij stremming worden de lymphe-ligchaampjes deels in liet coagulum ingesloten, deels blijven zij in het serum opgehangen. Hunne betrekkelijke hoeveelheid heeft Krijier (2) bij benadering bepaald, door de lymphe uit den ductus thoracicus, nadat de vezelstof door slaan verwijderd is, uit te droogen. 1000 deelen lieten bij een os 12, bij een schaap 9, bij een hond 15 deelen achter, bestaande uit de vaste deelen der lymphe en uit de ligchaampjes (3).

(1) F. u. II. Nasse, Unters. II, 24.

(2) Physiol. de JBlutes, 1, 127.

(3) In tle lymphe komen volgens IIerbst (t. a. p. S. 229) de volgende kogeltjes voor: 1. Bloedkogeltjes in zeer grooten getale, zoo wel in de ongekleurde, waterheldere, als in de troebele en roodachtige lvmphatische vloeistof. Ilun aantal neemt toe, naarmate de kleur der lymphevaten sterker wordt. In grootte en overige eigenschappen komen zij overeen met die, waarover bij de ehyl (p. 146) zal worden gehandeld. 2. Lymphe-kogeltjes, die met de chylkogeltjes of met de melkkogeltjes overeenkomen (namen bij Herbst van gelijke beteekenis). Ilun aantal rigt zich cenigermate naar de hoeveelheid der door de chylificatie aan liet bloed toegevoerde melkkogeltjes. Bovendien schijnen zij echter ook door de rescorptie van het in het ligchaam afgezette vet en andere organische stoffen in de lymphe te geraken, daar zij zelfs, na lang vasten, in den ductus thoracicus voorkomen, waarheen zij, onder zulke omstandigheden, slechts door de lymphevaten kunnen gebragt zijn. Ten opzigle der grootte kan men verscheidene soorten onderscheiden. 3. Zeer kleine moleculaire kogeltjes. Zij doen zich \ooral na eene zeer rijkelijke voeding voor; hun aantal is echter steeds veel geringer dan in de chyl. Zie verder omtrent de verschillende verhouding van de lymphe-bestanddeelen onder verschillende omstandigheden IIerbst, t. a. p. S. 23G—252.

A. F. Günther (Lehrh. d. allg. Phys. 1845, p. 244) beschrijft uit de lymphe tweederlei ligchaampjes: 1. Kleinere en ronde, van 0,001 — 0,003"', die met vet kogeltjes overeenkomst bezitten, en deels afzonderlijk voorkomen, deels lot 3 en 4 aaneenhangen; zij zijn menigvuldiger in de kleinere chylvalen dan in den ductus thoracicus. Van vclkogeltjes, die daarnaast ook zullen voorkomen, wil

8 *

Sluiten