Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

massa afscheidt en eindelijk tot een klompje zamentrekt; de daar bovenstaande, eenigzins geelachtige, ligt opaliserende vloeistof bezit

zich hoofdzakelijk in de Ivmplie uil watervaatsklieren bevinden, lioudt liij voor toevallige bijmengselen.

Naar vaste punten van onderscheid tusscben de ligchaampjes uit de verschillende streken van liet watervaalstelsel heeft Nasse te vergeefs gezocht. Na don doortogt der lymphe door de klieren kwamen hem de ligchaampjes in doorsnede iets grooler dan vroeger voor, en het door azijnzuur daar te stellen omhulsel scheen te zijn toegenomen. Hij vergeleek de chyl- en lymphe-ligchaarnpjes uit de vaten boven de lies- en darmscheilklicren. liet onderscheid was niet Tan beteekenis: de chyl-ligchaampjes bezaten slechts eene minder regelmatige gedaante, en cr kwamen in de lymphe zelden zoo groote ligchaampjes voor als in de chyl. Hierin werden hoopjes van hleeke kogeltjes gevonden met eene doormeting van

0.003—0,0065"', nooit echter van 0,009'", zoo als Gncur en Deiafond opgeven. De parcnchymcellen der klieren verschillen van de lymphe-ligchaampjes, waarmede zij over het geheel nog al overeenkomen, in de volgende punten:

1. zij zijn gemiddeld iets grooler, hoewel haar grootste gedeelte kleiner is dan de groole lymphe-ligchaampjes; 2. zij zijn alle bleeker dan de donkerder soort der lymphe-ligchaampjes; 3. in water zwellen zij sterker op, en in azijnzuur worden zij niet zoo donker als de lymphe-ligchaampjes, en verkrijgen geen omtrek.

Nasse houdt de kleinere ligchaampjes, die in azijnzuur niet veranderd worden, voor de jongere, voor kernen, waaromheen laler een omhulsel geplaatst wordt. Daar de kernen een korrelig maaksel bezitten, zouden zij, volgens zijne meening, door vereeniging der kleinste korreltjes ontstaan zijn: zij zoöden, wanneer zij ook al niet juist zoo vooraf bestonden, als zij zich na behandeling met azijnzuur voordoen, toch ook in geen geval bloolé kunstproducten zijn. Door het azijnzuur werd de kernzelfstandigheid tot eene vaste, omschrevene massa vereenigd, terwijl bijtende ammonia de korreltjes, waaruit zij bestaat, uiteen deed gaan.

R. llemak (Diagnostische u. jiathogenetische Unters. 1845, p. 105) onderscheidt eveneens twee soorten van ligchaampjes in de lymphe, die echter met de beide soorten van Nasse niet identisch zijn. De eerste vorm is, volgens des schrijvers eigene woorden, van de grootte lot de dubbele grootte der kleurloozc bloedligchaampjcs. In verschen toestand gelijkvormig. Bij eene nadere beschouwing merkt men er eene ovale of ronde, doorschijnende plek aan op, welke het grootste gedeelte van het ligchaampje inneemt. Deze lichte plek vertoont zich mee,,tal vakvorrnig, uit 2—1 afdeelingen zamcngesteld, waarvan elk eene donkere plek bevat. In waler doet zich op de plaats der lichte plek een ovaal of rond blaasje voor, dat de donkere plekken (kern of kernligchaampjes ?) maar niet de afdeeling in vakken laat waarnemen. Slechts zelden doen zich twee met elkander zamenhangende blaasjes voor. Itet blaasje vertoont zich door het vlies van het lymphe-ligchaampje digt ingesloten, en slechts zelden ziet men cenige korreltjes in de smalle tusschenruimten. In vele gevallen doet z:ch, na de bijvoeging van water in deze lymphe-ligchaampjes, op de plaats der lichte plek geen

Sluiten