Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pische ligchaampjes voor, die het uitvoerigst dooi'C. II. Schultz (I) en II. Nasse (2j beschreven zijn, hoewel niet met volkomen overeenstemmende resultaten.

Volgens Scliultz zijn zij aan den rand minder donker, korrelig, en, hoewel over het algemeen rond, toch niet zoo regelmatig, maar voor een gedeelte ovaal of hoekig. Hunne doormeting wisselt bij konijnen en paarden tnsschen 0,0005—0,0008"'af. Hunne hoeveelheid neemt in dezelfde mate toe, waarin de hoeveelheid der velkogeltjes afneemt, en wordt grooter na den doortogt door de klieren. Ook zullen de gladde vetkogeltjes allengs in deze korrelige vormen overgaan, en zullen er tusschenvormen voorkomen, die door behandeling met aether snel inschrompelen en vet daaraan afgeven, dat, na verdamping van den aether, in de gedaante van oliekogeltjes zou achterblijven. De zeer korrelige ligchaampjes worden in aether niet veranderd. Deze houdt Schultz voor voltooide lymphekogeltjes,

water -wordt opgelost, In Hen ductus thuracicus schijnen moleculen minder dijjt opeengedrongen, maar daarentegen iets grooter te zijn, dan in de opslorpende vaten van liet darmschcil; z.ij gaan gedurende de spijsvertering zelfs in liet bloed over. Dat er nevens deze moleculen ook vet in opgelosten, zeepvormigen toestand in de opslorpende vaten lievat is, wordt, volgens Mülier (S. 223), door liet volgende bewezen. In de heldere lymphe van vastende dieren, waar de moleculen en vetdroppels ontbreken of zeer spaarzaam zijn, komen door azijnzuur mikroskopisclie veldroppelen te voorschijn, hetgeen door uitdrooging en door bijvoeging van water niet geschiedt, en doorloopend is de hoeveelheid van den door azijnzuur ontstanen vetdroppel grooter, dan bij behandeling van dezelfde chyl met water. Grootere vetdroppels schijnen in zeldzame gevallen in zuivere en onveranderde chyl, steeds echter eerst in de grootere vaatslammen voor te komen; misschien draagt gebrek aan proteïnegehalte, in verhouding tot het vet, het zijne tot hunne vorming bij.

Een andere soort van ligchaampjes, die zich zoowel van de velmoleculen als van de vetdroppels gemakkelijk laten onderscheiden, is bleeker, matter en minder scherp dan de laatste, en grooter dan de eerste, van 0,0001—0,0005"' doormeting; zij zijn dikwijls in hoopjes van 2, 3 tot G en meer vereenigd, en, zoo als het schijnt, door eene teedere zelfstandigheid bijeengehouden. Er worden overgangen gevonden tot ligchaampjes, waarbij het aantal der korrelijes niet meer te bepalen is, daar de Jaatste schijnbaar in elkander overgaan, en die naauwelijks nog van ware, buitengewoon korrelige en van onregelmatige omtrekken voorziene chvlligchaampics te onderscheiden zijn. V£RI.]

(1) t. a. p. S. 40, 45.

(2) F. u, 11. Nasse, Unters. II, 6.

Sluiten