Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Lij meent, dat zij naar de kernen der bloedligchaampjes gelijken, en nog binnen den ductus tlwracicus zich met eene schil voorzien.

H. Nasse (1) onderscheidt eveneens, behalve de vetdeeltjes der chyl, twee soorten van kogeltjes, lichte en donkere, maar hij geeft hunne doormeting van 0,0024—0,0036 " op. De donkerder zouden eenigzins hoekig, homogeen of fijn korrelig, de lichtere grover korrelig zijn. Daarnevens worden er gevonden van eene onbepaalde gedaante, die bleek zijn en eene verschillende grootte bezitten, als uit kleine partikeltjes zamengesteld schijnen, en eene fijn korrelige massa, waardoor vele kogeltjes met elkander zijn verbonden. Hetgeen Nasse als donkere kleurstofkogeltjes der chyl beschrijft, zijn zonder twijfel de fijnste, puntvormige vetdeeltjes, die ook door andere waarnemers zijn opgemerkt. Kogeltjes uit de chylvaten van het kalf werden door azijnzuur kleiner; eene kern kwam er echter niet te voorschijn. In de chyl van een os vertoonden zich na behandeling met azijnzuur eene menigte korrelige, veel kleinere ligcliaampjes, van 0,0012—0,002"' doormeling, waarvan er somtijds twee aan twee aaneen gehecht waren. Nasse houdt ze voor ineengeschrompelde chylkogeltjes (2) ; ik vermoed, dat het slechts de kernen derlaatsten zijn, die na oplossing der schil overbleven. Overigens laat zich veronderstellen, dat de chylkogeltjes terstond veel overeenkomst met de lymphekogeltjes krijgen, want in de stammen der chylvaten kunnen beide niet meer worden onderscheiden.

Het scheikundig aan te toonen onderscheid tusschen chyl en lymphe, alsmede tusschen den inhoud van den ductus thoracicus ten tijde der spijsvertering en daarna, bepaalt zich hoofdzakelijk tot een overwegend gehalte aan vet en gebrek of geringe gehalte aan vezelstof in de chyl. S.cuultz (5) vond in de melkachtige chyl

(1) Verg. ook lief geen Nasse later nog' in een zeer uitvoerig artikel over de chyl geleverd heeft, in AVagner's Handicörterb., I, 221, en Herbst, t. a. p.

Vert.

(2) Nasse (Wagner's Uandwörlerb. I, 250) is tegen deze uitlegging zijner woorden door IlEJïLE opgekomen; liij beweert nergens te hebben gezegd, dat de chyl-ligcliaampjes door azijnzuur ineenschrompelen, maar wel, dat zij door azijnzuur kleiner werden en daardoor werden opgelost. Vert.

(3) bodisson (Heller's Archiv f. phys. te. pathol. Chemie, 1844, p. 241) onderscheidt insgelijks tweederlei soort van ligcliaampjes in de chyl: de eene, onregelmatig en in aether oplosbaar, wordt gevormd door veldroppels, door bij-

Sluiten