Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een kort te voren met haver gevoerd paard genomen was, bevatte, volgens Gmelin, in 100 deelen:

bruin vet, het eerst met alcohol uitgetrokken IS, 47.

geel vet, het laatste uitgetrokken . . . 6,3 S. vleeschextraet, melkzure soda en keukenzout 16,02. in water oplosbare extraclive slof met koolzure en weinig phosphorzure soda . . 2,76.

albumine öö,25.

koolzuren en phosphorzuren kalk . . . 2,76.

98,61.

buiten tredende kogeltjes zijn talrijk en worden langzaam opgelost; de kernen zijn groot, dikwijls onregelmatig, ook na eene langere inwerking korrelig. In den tluctus thoracicus ontbreken de omhulsels nagenoeg niet; zij zijn duidelijk en met scherpe grenzen voorzien; de naar buiten tredende kogelljes zijn spaarzaam, dikwijls bij een duidelijk bersten van bet omhulsel naauwclijks zigtbaar, de kernen gladder, kleiner, geelachtig glinsterend, van gelijke grootte. Nooit komen er zulke ligchaampjcs in de kleine vaten voor, maar daarentegen dikwijls ligchaampjes, welke met die uit de kleine vaten overeenkomen, in de grootere. In de uit klieren door insnijding verkregene vloeistof zijn de onregelmatige kernen vooral menigvuldig; de chyl, die zonder beleediging er uitgenomen wordt, gelijkt aan die der vaten. Over bet algemeen zijn de onregelmatige en onduidelijke kernen in de takken menigvuldiger dan in de stammen. Bloedligcbaampjes schijnen in de fijnere vaten niet voor te komen: in den ductus thoracicus zijn zij nagenoeg standvastig, talrijker bij nuchtere dieren dan bij gevoederde; ook in de lymphe der milt was liun aantal betrekkelijk groot.

Door deze resultaten der waarneming werd Muller tot de volgenden opvattingeu omtrent de ontwikkeling der chylligchaampjes gebiagt: In de fijnste vaten ontstaan door agglutinatie verscheidene kleinere conglomeraten van korrels, die de korrelige kernen daarstellen, en naar den ductus thoracicus toe, door eene langzamerhand plaats grijpende, meer en meer innige vereeniging in de kleinere, gladde en Waasachtige kernvormen overgaan. De geagglutineerde korrels schijnen gelijktijdig de bouwstof voor de omhulsels te bevatten, en niet zoo zeer eene nieuwe schil te krijgen, als wel zich door de bijeenvoeging der onoplosbare kernbestanddeclen in schil en kern te scheiden. Daarom worden de kernen van de takken naar de stammen toe kleiner. De schil schijnt echter aan de buitenvlakte tot eene vliesachtige laag verdikt te worden en eenen vloeibaren inhoud in te sluiten, waarvoor de endosmotische verschijnselen, de gladde omtrekken en de moleculaire bewegingen binnen in bet ligchaampje kunnen pleiten. Chylligehaampjes met eene zamengestelde era zullen juist in de fijnere opslorpende

Sluiten