Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water bij gevoegd wordt, zijn de bloedligchaampjes zoo doorschijnend en kleurloos, dat de centrale plek slechts door eenen bleeken hof omgeven schijnt. Men kan alsdan de buitenste omtrekken der bleeke kogeltjes door jodiumtinctuur weder duidelijk maken. Wanneer zij zich op den objectdrager heen en weder wentelen, dan ziet men, dat de plek niet, zoo als het in den aanvang scheen, in het midden, maar excentrisch aan den binnenwand des kogels ligt. Zij laat zich nu duidelijk als een vast, rond en ovaal ligchaampje herkennen, dat zich als de cytoblast tot de hem omgevende cel verhoudt. Hewson en Sciiultz geven op , dat het binnen in de cel heen en weder rolt (1). Eindelijk scheurt de cel, en valt alsdan óf als een smalle, lichte zoom om de kern zamen, óf zij trekt zich zamen, nadat de kern is uitgedreven, tot een vormloozen lap of vliesje. De kern blijft onveranderd. Volgens H. Nasse (2) zou zij in enkele korreltjes uiteenwijken, die zich in het blaasje zouden verdeelen. Zij is nu eens rondachtig, korrelig, dan weder meer ovaal, glad, met scherpe omtrekken, eveneens plat; wanneer zij ovaal is, dan ligt hare langste doormeting gewoonlijk, maar niet altijd, evenwijdig aan de langste doormeting van het ovale bloedligchaampje. De kern der bloedligchaampjes bezit bij den Triton cristatus 0,006 " lengte op 0,005"' breedte.

Indien men het bloed terstond met grootere hoeveelheden water vermengt, dan grijpen de genoemde veranderingen zoo snel plaats, dat zij buiten het bereik der waarneming vallen; de kogeltjes bersten terstond en vallen om de kern zamen.

Hieruit blijkt, dat de bloedligchaampjes van den kikvorsch cellen zijn, door een vlies gevormd, dat in deszelfs wand de celkern draagt en de kleurstof insluit. De kleurstof maakt een van het buitenste omhulsel verschillend bestanddeel van het ligchaampje uit, want de schil blijft na de uittrekking van het pigment kleurloos achter. Sciiultz (5) zag na de verwijdering van de kern eene lichte plek op de plaats, waar de kern gezeten had, terwijl het overige gedeelte van de schil zicli nog gekleurd voordeed, een

(1) scbültz, Circulalitm, s. 18.

(2) F. ü. ii. Nasse, Uiilers. ii,' TC

(3) Circulation. S. 21.

Sluiten