Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vet, omdat hij ze in aether, in eenigzins verwarmde terpentijnolie, zwavelkoolstof en in warme amandelolie zag verdwijnen (1). J. Müller (2) en F. Simon (5) zijn van meening, dat de zelfstandigheid der kernen aan de vezelstof verwant of werkelijk vezelstof is.

In het bloed, dat met koolzuur is geschud, zwellen de blaasjes eenigzins op; zij worden over het geheel of op sommige plekken donkerder; na schudding met zuurstof worden zij doorschijnender en gelijkmatig lichter (4).

oplossing onder bijvoeging vari kleine hoeveelheden zuur slechts schijnbaar is: in liet eerste geval ontstaat door bijvoeging van ammonia slechts een korrelig nederslag; in het tweede vertooueu zich de onbeschadigde bloedligchaampjes weder zelfs nog na een uur. Vert,

(1) t. a. p. S. 100.

(2) Physiol. I, 119.

(3) Med. Chemie. I, 39.

(4) Schüitz, Circulation, S. 27. Ook H. Nasse , (F. u. 11. Nasse, Unters. II, 99) vindt de met koolzuur doortrokkenc ligchaampjes eenigzins opgezwollen.

[Volgens H. Nasse (Wagnek's Handwörterb., I, 1842) brengt koolzuur in de ronde bloedligchaampjes eene troebelheid in het midden te weeg; zij krijgen gelijktijdig ecnen breederen kleurslofring, worden donkerder, iels dikker (ten minste op eene zijde) en kleven sterker aaneen. Den tegenovergestelden invloed oefent de zuurstof uit. De uitgeholde plaats van het bloedligchaarnpje wordt gelijkmatig licht, de klcurstofring smaller, de overgang van deze lot gene cchter minder 6cherp.

Door middel van een bepaaldelijk daartoe zaïncDgesteld apparaat, dat de gelegenheid aanbood om eenen aanhoudenden luchtstroom door de tusschen twee glasplaten onder het mikroskoop luchldigt ingeslotene bloedligchaampjes te leiden, heeft E. üarless (Monographie uier den Einfluss d. Gase nuf die Farm der Mutkörperchen von Rana temporat ia, Erl. 1846) den invloed van verscheidene gassoorten op den vorm van de bloedligchaampjes van den kikvorsch nagegaan. De veranderingen zijn grootendeels identisch met die, welke door verdamping of bijvoeging van water worden in het leven geroepen: aan den eenen kant worden zij donkerder, rimpelen zich, worden platter, vormen, plooijen en straalvormige ophoopingen der kleurstof; aan den anderen kant zwellen zij tot kogels op, worden de omtrekken bleeker, zoo zelfs dat zij onzigtbaar worden, bij welke metaïnorphosen de kern meestal onveranderd blijft, of slechts weinig grooter of kleiner, meer rondachtig of ovaal wordt. Eenige raaien zag hij ook ophoopingen van kleine blaasjes langs de omtrekken van het' bloedligchaarnpje, even als IIenle ze reeds na eenvoudige bijvoeging van water of zoutoplossing zag ontstaan. IIarless zegt zelf, dat de gassen meestal door verandering der endosmosc zullen werken; misschim echter liecfl hij niet eens overal de werking der gassen, maar nu en dan

Sluiten