Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door droogen wordt de kern der bloedligchaampjes zeer duidelijk zigtbaar ; na hunne verbranding, door gloeijing der glasplaat, blijven er duidelijke overblijfselen der kern en ligte sporen der omhulsels achter, van de gedaante der geheele bloedblaasjes (1).

Uit het bloed van den kikvorsch beschrijft H. Nasse (2) eene andere soort van ligchaampjes, waarvan het hoofdkenmerk is, dat zij sterk gekleurd zijn, geene kern bezitten, en door water, onder ineenschrompeling, weinig ontkleurd worden. De middelste ruimte, waarin de kern gewoonlijk ligt, is van de overige zelfstandigheid nog te onderscheiden, licht, niet korrelig en als met vloeistof gc-

ook de toevallig bijkomende invloeden waargenomen. Dit vermoeden wordt daardoor opgewekt, dat dezelfde stof niet altijd hetzelfde uitwerksel te weeg bragt], en verder door de omstandigheid, dat meermalen gedurende den toevoer van hetzelfde gas in het begin de tcckenen van de concentratie der vloeistof (door verdamping), later die der verdunning werden waargenomen. Jiuilen kwestie is van alle medegedeelde resullaten het belangrijkste, dat koolzuur de omhulsels der bloedligchaampjes oploste, nadat zij meermalen (8 lot 9 maal) afwisselend met zuurstof waren in aanraking geweest. Dat inderdaad de afwisseling der gassoorten de oorzaak der oplossing is, wordt daardoor bewezen, dat koolzuur of zuurstof op zichzelve een half tot een uur lang in aanraking met het bloed kan worden gelaten, zonder dat er eene zoodanige oplossing wordt waargenomen. Een eigenlijk chemisch-altererende invloed op de kleurstof van het bloed schijnt slechts door chloor, jodium en phosphor-waterslof te worden uitgeoefend, waarvan de eerste de bloedligchaampjes ontkleurt, de tweede ze eene oranjekleur mededeelt, de derde ze zwavelgeel kleurt. Veelvuldig wordt, zoo als te begrijpen is, de invloed der gassen door de zelfstandigheid, waarmede het bloed vooraf doortrokken was. gewijzigd.

IIarless (t. a. p. S. 30) heeft reeds door verdunning der lucht boven de bloedligchaampjes eene verandering van bunnen vorm voortgebragt, die bij de instrooming van lucht terstond weder week. In het luchtledige werden de ligchaampjes geplooid eii met puntjes omzoomd. Hemee (Jaliresb. 1816, S. 61) twijfelt er niet aan, dat deze verandering aan de verdamping van het water eu de concentratie van de wei is toe te schrijven.

Volgens E. v. Bibra cn E. IIarless [Die Wirkung des Schivefelaetliers in vhemiscfier ttnil plitjsiologischer Beziehuny, 181", S. 137) warden de bloedligchaampjes, indien zij aan aetherdainpen worden blootgesteld, zeer snel getand; door bijvoeging van water wordt terstond do normale vorm weder hersteld. ÏVa de inademing van aether werden de bloedligchaampjes bij den mensch in het geheel niet, bij de dieren slechts in enkele gevallen getand gevonden. Vert.

(1) IIarting , v: d. Hoeven en de Vriese, Tijdschrift, VII, 212.

('2) !•'. u. II. Nasse. Unters. II, 71.

Sluiten