Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigzins opzwellen, óf zicli eenigzins naar de vlakte buigen, waardoor het onmogelijk wordt, den omtrek en het midden gelijktijdig duidelijk te zien; waarvan het gevolg is, dat, naar mate van de plaatsing van het object, nu eens een donkere ring met een licht midden (fig. 1, A, a), dan weder eene lichte schijf met een donker centrum (fig. 1, A, b) gezien wordt. In het eerste geval bevindt zich de rand, in het tweede geval het centrum op den juisten afstand van den focus (1). Dit beeld wordt des te bepaalder, naarmate de vorm der bloedligchaampjes zich op de aangegevene wijze verandert, en eeno bijzondere omstandigheid begunstigt deze verandering. De bloedligchaampjes des menschen en der zoogdieren bezitten namelijk de merkwaardige eigenschap, van zich in geslagen bloed en in het plasma, ook wanneer het met serum of zoutwater verdund is en er geene wezenlijke stremming plaats heeft, met de platte oppervlakten tegen elkander aan te leggen en lange zuilen te vormen, die zich als geldstapels voordoen. In volkomen gezond en versch bloed ziet men de zuiltjes zeer sierlijke, takkige figuren vormen, doordien zich op den zijwand van een stapel een andere zich met zijne eindvlakte vasthecht enz. (PI. IV, fig. 1, F). Houdt men zulk eenen stapel in het oog, en voegt men slechts eene kleine hoeveelheid water of verdunde zoutoplossing bij het bloed, dan ziet men de afzonderlijke ligchaampjes zich in de dikte uitzetten en uiteendringen; de vroeger regte en smalle randen worden gezwollen (fig. 1, D, f), de grenzen tusschen do afzonderlijke ligchaampjes aan den rand der zuil door inkervingen aangeduid , en gewoonlijk buigen zich alle ligchaampjes naar eene vlakte, zoodal zij er als in elkander geschovcnc schoteltjes uitzien

(1) Volcens W. A. llüri e (Chemie u. MikrosJeop am Krankenbetle. 1847, S. 50, noot) heeft IIeni.e een misslag begaan, toen liij schreef, dat nu eens de rand, dan weder liet centrum der bloedlichaampjes donker is, naarmate de eerste of de laatste zich in den focus van het mikroskoop bevinden; een doorschijnend liVcliaam moet in den juisten focaalafstand zich licht voordoen. IIenle {Jaliresb. 1847, 4G) antwoordde daarop, dat dit verwijt op een misverstand bernst; IIeni.e wilde met licht en donker slechts de intensiteit der kleur aangeven, die natuurlijk des Ie hooger is, naarmate het beeld minder verstrooid wordt. Of overigens de Yerstrooijings-kringen lichter of donkerder worden dan het zuivere beeld, hangt slechts daarvan af. of bet object zich aan deze of gene zijde van den focus bevindt. Yert.

Sluiten