Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten. De kleinte van het voorwerp kan daaraan geene schuld hebben, want aan de lymphe-ligchaampjes, die niet veel grooter zijn, ziet men de kernen zeer duidelijk, en als ik, ter vergelijking, slijmligchaampjes, die niet volle drie malen grooter zijn dan bloedligchaampjes, bij eene driemaal zwakkere vergrooting onderzocht en met azijnzuur behandelde, dan kon ik het voorkomen van de kern en zelfs hare ontleding zonder moeite waarnemen.

Zamengedrongene zoutoplossingen maken de bloedligchaampjes breeder en plat; waren zij vroeger uitgezet en napvormig, dan werden zij door behandeling met eene zamengedrongene oplossing van keukenzout zeer onregelmatig, verbogen; de rand blijft eenigzins gezwollen; het centrale gedeelte echter wordt zoo plat als een schubje , en kan er daardoor als eene onregelmatige opening in het midden, maar ook als eene kern uitzien (1).

Ik moet hier nog van den invloed melding maken, dien de eigenschap der bloedligchaampjes, van zamen te kleven en zuiltjes te vormen, op de verschijnselen der stremming uitoefent. Deze eigenschap schijnt oorzaak te zijn, dat bij de stremming alle of nagenoeg alle bloedligchaampjes zich met de vezelstof verbinden. Laat men bloed onder het mikroskoop stremmen, dan doen er zich terstond slechts enkele afzonderlijke korreltjes en vele klompjes voor; worden de laatste door middel van azijnzuur doorschijnend gemaakt, dan ziet men daar binnen de bloedkorreltjes op de

(1) Eene zeer zonderlinge en onverklaarde vormverandering lieeft LlNDWORM (in IIenie u. Pfeüfer's Zeitschrift ƒ. rat. Med. Bd. VI, 1847, S. 2GG) aan bloedligchaampjes van den menscli waargenomen, die achtereenvolgens niet gom-, keukenzout- of suikeroplossing werden behandeld. De meesten verlengden zich tot nagenoeg liet dubbele hunner doormeting, en verden gelijktijdig zoo plat, dat zij, van den rand gezien, naar regte of Svormig gebogene, aan de uiteinden toegespitste vezeltjes geleken. Ligehaampjes van kikvorschen- en duivenbloed, ook de etterligchaampjes, vertoonden niets daarvan; de genoemde reagentia, in omgekeerde orde of gelijktijdig aangewend, leverden slechts de gewone vormen van in een schrompeling; met keukenzout en daarna met gom behandeld, werden de bloedligchaampjes bijzonder klein en onregelmatig, dikwijls puntvormig.

C. H. SCHÜIIZ (Poggendorif's Annalen, 1845, N°. X, S. 297) heefl eenige mededeclingcn gedaan omtrent de veranderingen der bloedligchaampjes in verschillende geneeskrachtige zelfstandigheden , die echter geene waarde hebben, daar de schrijver op de concentratie der vloeistof en de verschijnselen der en1'osmose geen acht geslagen heeft. Vert.

Sluiten