Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgegevene wijze verbonden. Wanneer het plasma zeer zamengedrongen is, en meer nog, wanneer het zeer verdund is, dan wordt de gedaante der bloedligchaampjes zoo veranderd, dat zij niet aaneenkleven. De stremming is dan óf geheel en al onvolkomen, óf er verbindt zich len minste een gedeelte der ligchaampjes niet met den bloedkoek, en deze zijn het waarschijnlijk, die in het serum het roode sediment vormen, dat in ziekten dikwijls waargenomen, maar nog niet mikroskopisch onderzocht is.

Zonder twijfel is de vermeerderde neiging der ligchaampjes van aan een te kleven eene der oorzaken, en misschien de meest gewone, voor de vorming eener spekkorst. De vorming der spekkorst, die, zoo als bekend is, een patho-gnomonisch verschijnsel van ontslekingsziekten is, berust in de eerste plaats daarop, dat de gekleurde bloedligchaampjes vóór de stremming zinken, en dien ten gevolge eene meer of minder dikke laag van het plasma^ op de oppervlakte stremt, zonder ligchaampjes in te sluiten. Of het bloed stremt langzamer dan gewoonlijk, óf de bloedbolletjes zinken sneller omlaag. Dat het ontstokene bloed langzamer stremt, is wel door velen opgegeven, inaar ook even zoo dikwerf is het tegendeel waargenomen (verg. H. Nassë, Blut, S. 26 en volg). De ligchaampjes zijn specifiek zwaarder dan het plasma van het bloed , en zouden dien ten gevolge terstond onder het niveau zinken, indien nie' de kracht der adhaesie aan de zwaarte in don weg stond. Hoe meer bloedbolletjes echter zamenkleven, des te kleiner wordt de oppervlakte, die zij le zamen genomen aan het plasma aanbieden, des te ligter zal dien ten gevolge de zwaarte de overhand krijgen en des te sneller het zinken plaats grijpen. Inderdaad scheidt zich het bloed, dat tot de vorming eener spekkorst geneigd is, reeds terstond bij de uitvloeijing uit de ader in vlokken, die in het heldere serum drijven, terwijl het gezonde bloed eene gelijkvormig gekleurde vlakte aanbiedt (1). Zeker zou het mogelijk zijn, dat eene vermindering in het specifieke gewigt van het plasma, of eene vermeerdering in het specifieke gewigt der bloedligchaampjes, het sneller zinken dezer luatsten veroorzaakte; maar normale bloedlig chaampjes zinken niet sneller in scrum van bloed, dat eene spek -

(1) H. Xisse, Blut. S 33.

Sluiten