Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korst vonnt, en bloedligchaampjes uit bloed, dat eene spekkorst vormt, niet sneller in ander serum (1). Yan waar het komt, dat de bloedligchaampjes zamenkleven, en waardoor de neiging daartoe verhoogd wordt, is niet bekend. Het schijnt, dat de hoeveelheid der vezelstof in het plasma daarop geen invloed uitoefent, daar de zuiltjes zich ook in geslagen bloed vormen. II. Nasse is van meening (2), dat overmaat van eiwit of gebrek aan zouten in het plasma het zamenkleven bevordert. (3)

Mij hebben reden om aan te nemen, dat zekere stoffen aan de bloedligchaampjes dezelfde veranderingen, die zij buiten de vaten doen ontstaan, ook na resorptie, door de maag of langs andere wegen, binnen de vaten van het levende ligchaam kunnen voortbrengen. C. H. Sciiultz (4) heeft daarop de opmerkzaamheid gevestigd, dat na een rijkelijk genot van drank het serum geelachtig, zelfs roodachtig gekleurd kan zijn; want de kleurstof der bloedligchaampjes is niet absoluut onoplosbaar in het plasma,

(1) IIewson, Exp. inq. I, 47.

(2) F. u. II. Nasse, Unters. II, 149.

(3) G. GPUIVER (Edinb. rneil. and satrj. Journul, 1845, Oclob. p. 3G0) bezigde paardenbloed, dat ook in normalen toestand eene dikke spekkorst vormt, oin proeven te nemen ter opsporing van de oorzaak van dit verschijnsel. Daarbij kwam bij tot bet resultaat, dat de bloedligchaampjes ten minste tweemaal zoo snel in het plasma van liet bloed zinken dan in wei; zij zinken in het begin veel langzamer dan later, het snelst in het plasma tusschen de derde en zesde minuut. Door bijvoeging van dunne zoutoplossingen of van urine werd bet zinken vertraagd en werd er eene dunnere spekkorst voortgebragt; door bijvoeging van eene oplossing van zout in slijm greep bet zinken veel sneller plaats en vormde er jich eene dikkere spekkorst; serum en plasma kwamen in dit opzigt overeen. De reeds door IIünter beschrevene klompjes in bloed, dat eene spekkorst vormt, in tegenoverstelling van de gelijkmatige roodheid van bloed, hetwelk dit niet doet, is ook door Güliiver waargenomen, die zich ook met Nasse en Henle heeft overtuigd, dat de bloedligchaampjes in het eerste geval zich in den vorm van gcldstapels opeenhoopen. Zoutoplossing, urine, siroop deden de verbinding der ligchaampjes oogenblikkelijk ophouden; slijm bragt ze weder in het leven. Bijvoeging van zout bij het slijm begunstigt de werking van het laatste. Serum van het eene dier doet dikwijls de bloedligchaampjes van een ander snel aaneen kleven. Al deze waarnemingen bewijzen, dat de spekkorst het gevolg is van de aaneenkleving der bloedligchaampjes door verhoogde viscositeit van het bloedvocht. Yert.

(4) IIcrELAND's Journal, 1838, Apr. S. 24.

Sluiten