Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar des te minder oplosbaar, naar male hel lualsle njkei aan zouten is. Dieren, die in langen tijd niet gedronken hadden, leverden eene kleurlooze wei (1). Op deze omstandigheid berusten misschien de eigenaardige invloeden van eene waterachtige voeding , van aanhoudend drooge en vochtige weersgesteldheid. Sciiultz (2) geeft ook op, dat bij eenen kikvorsch, dien hij gedurende hel leven jodium in den mond had gelegd, de bloedligchaampjes daarna langer aan de inwerking van het water wederstand boden, en vermoedt, dat daarmede de therapeutische werking van het jodium zamenhangt (5). Bij kikvorschen, die in koolzuur of waterstof

(1) C. II. Scnoi.tz (Fr. Sijion's Beitriige zur phys. uiid pathol. Clicmie u. Hikroskopie, 1843, Heft 5, S. 567) onderzocht liet liloed van eenen verhongerden Proteus, die 15 maanden zonder voedsel geleefd had en daarna uitgeput stierf. De bloedligchaampjes vertoonden zich in de verschillendstc vormen geplooid en in verschillende graden zoo verkleind, dat velen naauwelijks het vierde gedeelte hunner gewone grootte bezaten. Zij waren hoekig, getand en slechts zeer licht gekleurd, inaar vast cn stijf. Het bloedplasina was in verhouding tot het aantal blocdblaasjes zeer verminderd, maar overigens niet veranderd. Het leveren poortadcrbloed vertoonde daarentegen in liet plasma, zoowel als in de blaasjes , meerdere veranderingen. Dc laatste waren door eene vuile kleurstof geheel donker, maar hadden op de plaats der opgeloste kern eene lichte plek. De blaasjes waren ook kleiner geworden, niet ineengeschrompeld, maar rondachtig, knolvormig, in den hoogsten graad vau oplossing, niet meer vast, maar ligt uilgewisclit. Het plasma was gekleurd, korrelig, met naar vet gelijkende, gele kogeltjes. (De lever was zeer donker).

Iets soortgelijks nam Schultz waar in hel bloed vau eene na vier weken vaslens uitgehongerde kat. In liet plasma was echter eene grootere hoeveelheid kleurstof opgelost. De atropbisclie blocdblaasjes waren ook nog vast, maar zoo afgestorven , dat zij door zuurstof niet meer rood gekleurd werden. Hetzelfde vertoonde zich in liet bloed van een konijn, dat reeds na tien dagen vastens gestorven was.

V ert.

(2) Circulalion, S. 19.

(3) Donnet (Annal. de chim. et de jiJiys. 1847, Oct., T. XXI, p. 189)heefl, zoo als schijnt, de reeds door J. Muller ontdekte verhouding van het bloed ten opzigte van suikerwater nog eens ontdekt. Het bloed, uit eene ader gelaten, ving hij onmiddellijk in eene verzadigde suikeroplossing op (3 deelen water, 1 deel suikersiroop, •§ deel bloed). Dit mengsel liet zich filtreren en in dc doorgezegene vloeistof vormde zich dan eerst na eenigen tijd een geleiachtig fibrine-coagulum, soortgelijk maar niet zoo standvastig als dat van ontstoken bloed, lu het llltraat bragt hij, voor dat de stremming nog had plaats gehad, verschillende zelfstandigheden, waardoor bij lot het resultaat kwam, dal, 1. zwakke oplossin-

Sluiten