Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deeltjes in het eerste geval schijven met nagenoeg platte vlakten, in het tweede geval schijven met convexe vlakten of kogeltjes zijn. Uit deze omstandigheden beide laat zich het verschil van kleur tusschen het lichte en donkere bloed verklaren. Wanneer echter het bloed daardoor donkerder zou worden, dat de kleurstof zich gelijkmatiger door de vloeistof verdeelde, dan kon het bloed, nadat het eenmaal donkerder geworden is, door zuurstof of zouten niet meer lichtrood gekleurd worden, hetgeen toch het geval is (1), want het pigment zou bij de zamentrekking der ligchaampjes niet meer geheel en al daarin kunnen terugkeeren. Ons blijft alzoo slechts de hypothese over, dat de kleur van het bloed van den vorm der bloedligchaampjes afhankelijk en des te lichter is, naarmate de ligchaampjes platter, zijn. Soortgelijke gevallen, waarin zich de kleur met den aggregaatstoestand verandert, komen ook in de anorganische natuur voor. Cinnaber, die verhit en langzaam afgekoeld woidt, is rood, snel afgekoeld, wordt hij zwart, liet versch gesublimeerde kwikzilver-jodide is geel; bij verkoeling verandert zijne kleur in scharlakenrood, en door drukking grijpt deze verandering zelfs oogenblikkelijk plaats (2).

(1) Muller , Physiol. I, 320.

(2) Brüch (Henle u. Pfeufer's Zeilsclirift ƒ ral. Meel. 1844, Bd. I, 440) is tegen deze meening opgekomen. Hij heeft toegegeven, dat de kleurverandering des bloeds van de verandering van den vorm der ligchaampjes afhangt; aan de zuurstof en het koolzuur kent hij echter eenen zoodanigen physischen invloed niet toe, maar komt tot de vroegere meening terug, dat zij op eene chemische wijze werken, omdat hij in tegenspraak met Scher"er vond, dat met water behandeld bloed, d. i. eene haematine-oplossing, inderdaad door schudding met zuurstof en koolzuur licht en donker gekleurd werd. Ilij meende, dat de proef van Scderer (t. a. p. 1843, S. 288), die het gas slechts door de haematine oplossing heen leidde, niet voldoende is om de verbinding van de kleurstof met het gas te bewerken, en verklaart het verschil in de door hen beide verkregene resultaten uit het verschil der aangewende methoden. Dit beweren van Brdch beeft tot eenen langen voortgezetten en vrij hartstogtelijken strijd tusschen de genoemde geleerden aanleiding gegeven, waarin zich C. Reuter (IIenle u.

1 feufer s /.distinifl ƒ rat. Meihcin, Bd. 111, S. 1G5) direct gemengd heeft, terwijl Molder, Donders, Magncs, HIarciund en Harless zich meer zijdelings daarbij hebben doen hooren. Uit zijne in 1843 gedane proeven kwam Scderer tot hel resultaat, dat de lichtere roode kleur van het bloed afhankelijk was van daarin opgehangene, kleine, licht reflecterende ligchaampjes. en dat als

Sluiten