Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60° te opaliseren, en stremt volkomen bij G6,5°; eene zamengedrongene oplossing is alsdan nog rood. Het stremsel van hoogrood

bleef daarbij onveranderd. Brüch meende daarom, dat slechts een gedeelte van de door de vloeistof geabsorbeerde zuurstof met de liaematine scheikundig verbonden werd, terwijl een ander gedeelte slechts was opgelost en in het luchtledige ontweek. Hij was dien ten gevolge van meening, dat de kleur van het bloed op driederlei wijze veranderd wordt: 1. door scheikundige verandering der haematine (zuurstof en koolzuur); 2. door de aan- of afwezigheid van bloedcellen of andere opgehangene licht reflecterende ligchaampjes (met veel water voorzien bloed); 3. door verandering van de gedaante en de reflecterende oppervlakte der bloedcellen (zamengedrongene zoutoplossing, met weinig water voorzien bloed).

De beide partijen waren het derhalve daarover eens, dat de lichtere kleur door zouten en suiker en de donkerdere kleur door gedestilleerd water afhankelijk wa* ren van de gedaante der ligchaampjes, die in het eerste geval plat, in het laatste kogelvormig waren; zij waren het echter oneens omtrent den invloed, dien koolzuur en zuurstof uitoefenden; terwijl Scberer meende, dat zij slechts den vorm der kleurende deeltjes veranderden, trachtte Brccii door proeven te bewijzen, dat zij de chemische gesteldheid der haematine veranderden, indien de eerste mecning juist was, moesten zuursiof en koolzuur in de opgeloste haematine geene kleur-vcran— deringen veroorzaken; in het laatste moest ook de haeinatine-oplossing, na "verwijdering der ligchaampjes, door zuurstof licht, door koolzuur donker geklcuid worden. Omtrent dit punt bleven echter de waarnemingen verschillen. Reuter />. _ \ i ^ nmovpn lïprlmnlrl. Als hii rlnnr df! hnemaline-

^t. u. y J Ü — jl J

oplossing eenvoudig zuurstofgas liet lieenstrooracn, merkte liij ook geene hoogere roode kleur op; wel echter, wanneer zij met zuurstof werd geschud. Wanneer hij echter de zoo geschudde vloeistof rustig liet staan lot dat alle blaasjes en schuim verdwenen waren, dan bezat het bloed weder zijne vroegere kleur. Hij geloofde daarom, dat de door schudding ontstane blaasjes oorzaak van de lichtere kleur waren; hij meende dan ook op te merken , dat als het bloed 11a de schudding in eene vlakke schaal werd uitgegoten, waarhij de gasblaasjes sneller verdwenen , ook het bloed sneller zijn vorige kleur terug kreeg. Ook met kool- j zuur geschud bloed loonde zich, zoo lang de blaasjes niet waren opgestegen, lichter rood. De proef van Brcch met indigo werd eveneens door Recter herhaald : hij meende echter, dat niet de onttrekking van zuurstof, maar de in de vloeistof lang opgelost blijvende blaauwe indigo-deeltjes oorzaak van tle donkerdere kleur waren. Redter heeft bovendien ook de door verscheidene schrijvers reeds waargenomene gedaante-verandering der blocdligchaampjes door koolzuur en zuurstof opgemerkt, en wel zoo, dat hij de met koolzuur geschudde bloedligchaampjes van die, welke met zuurstof geschud waren, kon onderscheiden. Tegenover do meeniiig van Bnccn, dat, indien er dan ook al gedaante-veranderiug plaats heeft, zij toch zeer gering zou zijn, doet Redter opmerken-, dat dit zeker bijéén blocdligchaampje mogelijk is; maar dat bij de groote hoeveelheid der bloedligchaampjes dc verandering van elk ligchaampje, lioe gering dan ook, op de massa

Sluiten