Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijke hoeveelheid loog, dan wordt het bloedrood, dat met het zuur verbonden geweest is, gestremd nedergeslagen; het overige

<]<; relative hoeveelheid ten opzigte van de zuurstof opgegeven. Op zijne berekeningen steunende, kwam hij ook op tegen de door Magnus opgegevene oorzaak van de kleurverandering, door het verlies van koolzuur in de longen. Ten eerslc zou het niet hewezen zijn, dat het aderlijk bloed koolzuur in de longen afgeeft, en ten tweede de overblijvende hoeveelheid koolzuur te groot zijn, om daaruit het verschil in kleur te verklaren. Magncs heeft daar tegen aangevoerd, dat het eerste juist uit dc bewezene grootere betrekkelijke hoeveelheid koolzuur ten opzigte van de zuurstof in het aderlijk bloed blijkt; tegen het tweede beweren voert hij aan, dat het bloed na verwijdering van het koolzuur niet zoo licht rood wordt, als het slagaderlijke is, .en dat het schijnt, dat de opslorping van verschillende gassoorten ook verschillende kleurveranderingen voortbrengt; dat het eindelijk waarschijnlijk is, dat de roode kleur van het slagaderlijk bloed niet alleen van het ontbrekende koolzuur, maar ook van de opslorping van zuurstof afhankelijk is. In het algemeen wordt, zegt hij, de meening, datkleurverandering van vloeistoffen door eenvoudige opslorpingen van gassoorten kan worden in het leven geroepen, door de bekende onderzoekingen van Peligot omtrent dc werking van het stikstof-oxvdegas op de ijzeroxydulc zouten zeer bevestigd,

Gay-Lüssac heeft verder, op vroegere opgaven van Magncs voortbouwende, berekend, hoeveel zuurstof het slagaderlijk bloed geabsorbeerd bevatten moet, en hiervoor 14,97 op 100 volumen bloed gevonden, daar het niet alleen een aan het uitgeademde koolzuur gelijk volumen zuurstof bezitten moet, dat tot vorming van het koolzuur gebezigd wordt, maar nog '/, meer om het uitgeademde water voort te brengen. Daaruit zou volgen, dat steeds '/3 meer zuurstof wordt ingeademd dan koolzuur wordt uitgeademd. SIagkcs heeft daartegen in het midden gebragt, dat de in de haarvaten uitgescheidene zelfstandigheden ook zuurstof kunnen bevatten, en dat zij niet als eenvoudige koolwaterstof verbindingen te beschouwen zijn. Omtrent het absorptie-vermogen van het bloed voor zuurstof is Gay-Lcssac verder door eene reeks van berekeningen, steunende ook op de ademhalingsproeven van liOüRC.ERr, tot het resultaat gekomen, dat het slagaderlijke bloed 22,45 volumen procenten zuurstof, dat is 21,2 maal meer dan zuiver water zou opnemen. Dit zou wel is waar niet onmogelijk zijn, maar was door SIagnüs niet aangetoond. Omtrent dit punt heeft Magnds nieuwe proeven in het werk gesteld, welke bij hein tot de volgende resultaten hebben geleid: 1°. Dat de hoeveelheid -zuurstof, welke het bloed opnemen kan, bij schudding met dampkringslucht toereikend is, om te kunnen aannemen dat de geheelc ingeademde hoeveelheid lucht door het bloed wordt opgeslorpt. 2°. Dat door schudding met koolzuur nagenoeg de gcheele hoeveelheid der door het bloed opgenomene zuurstof weder kan worden afgescheiden. Zoo gaf kalfsbloed ll.G pCt. zuurstof af, en nam daarvoor 154,0 acn koolzuur op; daarna nam het, op nieuw met lucht geschud, 15,8 zuurstof op en gaf 138,4 koolzuur af; eindelijk werd het meermalen met koolzuur geschud en gaf 9,9 zuurstof af, terwijl het 92,1 pCt. koolzuur absorbeerde; daaruit bleek tevens, dat de zuurstof niet chemisch met het bloed verbonden was, maar slechts eabsorbeerd daarin bevat. 3°. Dat veel koolzuur door weinig zuurstof (13,1) en

11 4

Sluiten