Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water opgeloste zelfstandigheden; het water bedraagt, nadat de vezelstof is afgescheiden, 88 —90 pCt. der vloeistof (1); door bloed-

allcen uit den duclus thoracicus, maar ook uit fijnere takken, glad, glinsterend en geelachtig worden; terwijl zij, bij eene ruime bijvoeging van water, weder liet gewone donkere, gekorrelde aanzien zouden aannemen.

Eene derde en eigendommelijke hypothese is die van II. Müllkr, volgens welke ten slotte het omhulsel van het lympheligchaampje met het buitenste vlies der kern, die rood en blaasvormig geworden is, zou ineenvallen en vergroeyen. Tot deze meening gaf aanleiding liet voorkomen, dat vele bloedligclmampjes, voor dat de inhoud volkomen is opgelost, in water aannemen, waarbij zich namelijk een vlies over de depressie in het midden schijnt uit te spannen. Ook IIenle [Jahresbericht, 1846, S. 6G) heeft dikwijls deze gedaante aan de met water behandelde bloedligehaampjes opgemerkt; maar liet kwam hem niet mogelijk voor uit te maken, of de roode massa nog door een bijzonder vlies bedekt, dan wel of er slechts water tusscben haar en het omhulsel ingedrongen was. Ook MiiLlER heeft deze bedenking geopperd, en Kölliker meent, dat bet slechts de rand zou zijn van bet bloedligchaampje, die, wanneer het ligchaampje op zijn kant staat, zich als eene over de depressie heengespannen lijn zou voordoen. II. Muller 'gééft echter verder in overweging, dat eene vliesachtige opligting der depressie aan kernen, die nog door een omhulsel omgeven zijn, niet voorkomt, dat liet omhulsel met de kleuring en afplatting der kern allengs naamver wordt en zich zonder waarneembaren celinhoud om dezen aanlegt, bij vele ligchaampjcs zich zelfs schijnbaar minder gemakkelijk en wijd uitzet.

Onder den naam van etterccllcn heeft Heller (in zijn ArcJiiv, 1845, S. 303) een- en meerkernige kleurlooze bloedigchaampjes afgebeeld en zich diets gemaakt een nieuw middel te hebben gevonden, om de ettercel in het bloed te herkennen, daar bij opmerkte, dat in stilstaand bloed de kleurlooze ligcliaampjes zich op de oppervlakte verzamelen. De ligcliaampjes, die gewoonlijk onder den naam van kleurlooze bloedligehaampjes worden begrepen, tracht AVharton Jones (Philos. transact. 1847, Part II) naauwkeuriger te scheiden en in hunne betrekking tot elkander voor te stellen. Uij onderscheidt in kikvorschenhloed: 1. gegranuleerde cellen, en daaronder weder a grofkorrelige en b fijnkorrelige; beide soorten bestaan uil een celvlies, een korreligen inhoud en een nucleus, die zich dikwijls als eene lichtere plek voordoet en na oplossing der korreltjes in azijnzuur overal duidelijk wordt; 2. kernhoudende cellen, en wel a kleurlooze en b gekleurde. De laatste zijn de zoogenaamde gekleurde bloedligehaampjes; de eerste, die zich door den homogenen inhoud van de gegranuleerde cellen onderscheiden, worden met de gegranuleerde cellen onder de kleurlooze bloed- of lympheligcliaampjes van bet bloed begrepen. In de gegranuleerde cellen zijn de korreltjes meestal aan eene zijde opeengehoopt; niet zelden neemt men hunne (moleculair-) bewe-

(I) Zie de opgaven van verschillende waarnemers bijeenverzameld bij II. Nasse, Blut, S. 115.

II. 12

Sluiten