Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of door uitwassching Tan clen bloedkoek. Volgens de laatste methode valt hare hoeveelheid grooter uit (1), omdat een grooter gedeelte

zijne meening zijn Je ineengeschrompelde en met korreltjes bezette bloedligchaampjes geheel en al ontkleurd, "worden steeds meer en meer kleiner, cri eindelijk opgelost. Zoowel de korreltjes als liet \lies bieden volgens VlRCDOW aan het water tegenstand, worden in zamengedrongene oplossingen van bijtende loogen reeds in de koude, voorts ook in zamengedrongen azijn- en zwavelzuur opgelost, in verdund azijnzuur iets bleeker. De veranderingen der bloedligchaampjes, wier kleurstof niet is naar buiten getreden, beschrijft VlRCilOW op de volgende wijze: afzonderlijk, meermalen groepsgewijze bijeenverzameld, worden zij kleiner en donkerder; de opeengehoopte smelten met elkander in een, en later vormt óf het geheele aggregaat een afzonderlijke, digte, bij drukking uiteenspringende pigmentkorrel, óf er ontslaan verscheidene in den vorm van klaver, moerbeziën enz. zamengestelde korrels. Deze gaan uit het roodc en gele dikwijls in het bruine tot het zwarte over; zij worden in kristalachtige massa's veranderd of in kleine korreltjes ontleed, al hetgeen echter evenzoo aan de afgescheidene en in andere zelfstandigheden geïmbibeerde haematine op dezelfde wijze zou plaats» hebben.

Aan eene verandering <ler hoopjes van bloedligchaampjes in cellen schijnt Virchow niet te gelooven. Hij heeft aan den rand der korrels eene kleurlooze zelfstandigheid waargenomen, maar zich niet kunnen overtuigen , dat deze zoom do beteekenis van een van den inhoud afscheidbaar vlies zou bezitten. Aan den anderen kant vond hij epitheliumcellen, kleurlooze bloedligchaampjes, korreltjescellen , en vele andere vorm -elementen, door opgezojrene haematine nu eens gelijkmatig, dan weder met uitzondering van de kern, dan weder slechts de kern gekleurd. (Volgens Zlmmermann (Rdst's Magazin, Bd. LXVJ, Ileft 2, S. 191) worden de kernen der kleurlooze bloedligchaampjes niet door zuivere, maar wel door azijnzure haematine gekleurd.) Vnicnow zegt niet, en slechts de afbeeldingen laten liet cenigermate raden, dat hel eene verklaring is, die hij aan de elementen geeft, welke Henle en anderen als hoopjes van bloedligchaampjes beschreven hebben, die in overgang tot korreltjcsccllen begrepen zijn. Hij heeft dergelijke hoopjes van korreltjes in colloïdkysten der nieren gezien, waar zij, naar zijne mecning, niet door infiltratie konden ontstaan zijn, omdat de colloïdrnassa voor haematine niet permeabel is; maar hij wil liet ontstaan dezer ligchaampjes in het midden laten.

Intusschen is de verandering der stilstaande hoopjes van bloedligchaampjes in korreltjes- en pigmentcellen van andere kanten meermalen bevestigd, hetzekerst door de waarnemingen aan lagere gewervelde dieren , waar de karakteristieke vorm der plal-ovale en kernhoudende bLoedligchaampjcs voor geen twijfel gelegen-

(1) Maitland (An experimental essay on the phtjsiol. of the hluod, Lond. 1838) deelt dit feit mede, en trekt daaruit het besluit, dat de kernen der bloedligchaampjes uit vezelstof bestaan, daar hij het gedeelte der bloedligchaampjes, dat na de verwijdering der vezelstof achterblijft, voor de kernen houdt.

Sluiten