Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk gezond bloed bedraagt de gemiddelde hoeveelheid dei' gedroogde vezelstof in 1000 deelen, volgens Dénis, 2,7 bij mannen,

verschen toestand onderzoeken kon, waren onveranderde, in cellen ingeslotene bloedligcliaampjes niet te herkennen; daarentegen vertoonden zich in vele gevallen eene groote hoeveelheid goudgele, in cellen zich bevindende korreltjes. Voor Kölliker is de waarschijnlijkste gang dezer verandering die, dat in stilstaande gedeelten van het miltbloed, terwijl de ligchaampjes kleiner worden en zich opeenhoopen, nieuwe kernen ontslaan, die zich met een of meer der veranderde bloedligcliaampjes cn een gestremd gedeelte van het blocdplasma omhullen, vervolgens door vorming van een vlies om deze deelen in cellen veranderen, waarbinnen de ligchaampjes in hun geheel, of nadat zij alvorens ontleed zijn, in gele tol zwarte pigmentkorrels overgaan, die ten slotte bleeker worden. Eenigzins gewijzigd droeg Kölliker deze theorie in het congres van Zwitserschc natuuronderzoekers voor (Landis, t. a. p. S. 11), waar het ontstaan van cellen , die bloedligcliaampjes bevatten, zoo werd voorgesteld, dat een hoopje van gestold plasma met een of meer bloedkogeltjes »na de ontwikkeling van eene kern binnen in hetzelve" zich met een vlies omgeeft. Op dezelfde plaats voegt Kölliker er bij, dat de ontkleurde korreltjes-cellen allengs kleiner worden, en in donker gekorrelde cellen van 0,008 tot 0.004'" overgaan, die van miltparenchymcellen steeds nog door haren rijkdom aan korreltjes cn hare dikwijls nog geelachtige kleur zijn onderscheiden. De plaats der verandering zijn bij amphibiën de bloedvaten; de cellen, die bloedligcliaampjes bevatten, liggen dikwijls in de haarvaten in rijen achter elkander, en laten zich door drukking in groolere aderstammen drijven. Bij insckten liggen -zij óf in blazen, die als verwijdingen of aanhangsels met de vaten in verbinding staan, óf in rondachtige, meer of minder scherp oinschrevene hoopjes van de grootte der blazen, li ij de zoogdieren schijnen zij zich in de caverneuze ruimten te bevinden, waarmede de aders der miltpulpa beginnen; zij kwamen ten minste in de haarvaten der milt niet voor.

Ecker cn Kölliker (in zijne eerste mededeeling) hebben geene zwarigheid gemaakt, om de verandering der bloedligcliaampjes in korrelt jes-cellen in de milt als een plivsiologisch proces te beschouwen, dat gelijktijdig geschikt was oni de beteekenis der milt op te helderen. Later is Kölliker, cn met hem Landis, meer geneigd de meening Ie omhelzen, dat de verschijning van eenen pathologischcn aard cn met de bekende nieiamorphosen der extravasaten op ééne lijn te stellen zou zijn. Kölliker zegt: »aan den eenen kant schijnen zeer gevvigtige gronden voor liet normale van liet verschijnsel te pleiten, namelijk het zoo te zeggen constant voorkomen daarvan bij zoo vele en met name ook hij inden natuurtoestand levende dieren, als amphibiën cn visschen; verder liet bestaan van schijnbaar volkomene gezondheid, ondanks de groote hoeveelheid der zich ontledende bloed kogeltjes; ten derde het voorkomen van bloedligcliaampjes houdende cellen in bloedvaten, die van do algemeene circulatie volstrekt niet afgesloten ziju ; ten vierde liet gemis van soortgelijke standvastige, in korte tusschenruimten zich herhalende veranderingen van het bloed in andere organen. Aan den anderen kant

Sluiten