Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezonden als aan zieken, in het werk , en verkregen daardoor gemiddeld Teel hoogere cijfers: Le Canu 4,298, Stannius 5,ü95. Bij dezen laatsten wisselt de hoeveelheid af tusschen 1,054 en 7,083: de kleinste hoeveelheid vond hij bij menschen, wier toestand het meest aan de gezondheid nabij kwam; de grootste bij zieken, die aan ontstekingen, vooral aan longontsteking leden. Ook bij teringlijders was de vezelstof vermeerderd. Jeknings (1) verkreeg uit ontstoken bloed, als gemiddelde hoeveelheid van acht gevallen, 7,528. Het bloed van zwangere vrouwen is rijk aan vezelstof (2): volgens jVasse (5) bevat het gemiddeld 5,9 deelen op 1000. In scheurbuik is de hoeveelheid vezelstof verminderd. Gewoonlijk is gelijktijdig met de vezelstof ook de hoeveelheid der overige vaste bestanddeelen vermeerderd. Rijkdom aan vezelstof komt echter ook bij vermindering der overige vaste deelen, met name der bloedligchaampjes, voor (4).

tc voeren, die hij opzwelling der milt liet aantal der kleurlooze bloedligchaampjes aanmerkelijk zag toegenomen. Misschien behoort hiertoe ook de door Reinoardi medegedeelde verandering van kleurlooze bloed- in vethoudende korreltjescellen.

Dikwerf reeds is de misslag begaan, dat men de kernen van jonge epitheliumcellen voor bloedligchaampjes heeft gehouden , waarom zich cene schil zou gevormd hebben. Eicuiiolt keerde (z. Uenle's Jahresb. 1846, S. 67), in een opstel over het longenweefsel, deze dwaling oin, door de kernen van de epitheliumcellen der longen voor bloedligchaampjes te verklaren, die later vrij zouden worden.

Verscheidene waarnemers hebben onder de mikroskopischc beslanddeclen van vloeibaar ïloed ook de afgestootcne epithcliumplaatjes der vaten genoemd. 11. Lebert (l'hjsiol. patliol. 1845, Tom 1) wil deze dikwerf in de kleine vaten der hersenen en in de poortader van verscheidene zoogdieren hebben gevonden. Hunne doormeting zou 0,0065—0,000'" bedragen.

De elementaire ligchaampjes van het bloed van 0,002—0,0025" , die door Zimmermann (Rost's Mag. 1847, Bd. LXVI, .S. 176) beschreven zijn, kan Hekle (t. a. p. 1848, S. 49), naar zijne beschrijving, van de kleinste in kern en schil ontleedbare lympheligchaampjes niet onderscheiden. Veiit.

(1) Transact, of the jiiov. meel. and surgical association, III, 66.

(2) Tiiackrath, t. a. p. S li7.

(3) t, a. p. S. 94.

(4) Ecne wijziging van de fibrine,namelijk de door Giov. l'olll [Omodei Annal.. Agoslo e Sellemhre 1845) zoogenaamde paralibrine. zou somtijds in liet bloed voorkomen, en deze zelfstandigheid zou, even als men vroeger van Stiuiil's plilogiiton meende, het bloed door zijne aanwezigheid lichter maken . zoo zelfs dat

Sluiten