Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder de wezenlijke bestanddeelen hebben wij eenige opgenoemd, die in normaal bloed steeds moeijelijk kunnen worden aangetoond, hetgeen wel waarschijnlijk daardoor wordt veroorzaakt, dat zij te veel verdeeld zijn , en nagenoeg even zoo snel weder uit het bloed worden verwijderd, als zij er in geraakten of er in gevormd werden. Ik bedoel de kleurstof der gal en de pisstof. Hare hoeveelheid wordt van meer beteekenis, zoodra het orgaan, dat bestemd is om ze af te scheiden, verwijderd of onwerkzaam wordt. Daarom vindt men eene rijkelijke hoeveelheid pisstof in het bloed na exstirpatie der nieren, na beleediging harer zenuwen, gedurende de Bright'sche ziekte en andere ziekten der nieren;

proef medegedeeld, om de afwezigheid aan te toonen van koolzure loogen in liet bloed vnn planten-etende dieren. Marcband [Journ.f pract. Chem. 181G , Cd. 37, S. 321) is zoowel legen de resultaten van Enderun als tegen die van Lieeig opgekomen, heeft zijne bedenkingen tegen de juistheid der door hen gemaakte gevolgtrekkingen in liet midden gebragt en eene nadere proef hekend gemaakt, waardoor hij tot het besluit komt, om bij zijne vroegere ineening, dat liet bloed koolzure zouten bevat, te blijven volharden. Magendie (Comptes retidus. 1816, 1. XXIII, S. 189) nam waar, dat ook het bloed in eene booge male de eigenschap bezit om zei meel in suiker en dextrine te veranderen. Ook het circulerende bloed zou dit vermogen bezitten. Iïij eenen hond, die gedurende verscheidene dagen met gezoulene aardappelen en vet gevoed was, tot dat de urine van het dier Joogachtig reageerde, bevatte het bloed veel suiker en gelijktijdig dextrine; de pis was daarentegen vrij van suiker. Ook in liet bloed van paarden, die uitsluitend met haver gevoerd waren, kwamen suiker en dextrine voor. In het bloed van ossen kon J. Liebig (l. a. p.) geen pisstof of suiker aantoonen.

Ledman (Erdmakn u. MarcdanjTs Journal, 1847, 15d. 40, S. 133) heeft ter beslissing van den strijd omtrent de aanwezigheid van koolzuur alkali in het bloed eenige belangrijke proeven met runderhloed gedaan, waaruit de volgende verhouding der zoulen zich in 3 proeven voordeed:

I. II. III.

zwavelzure soda — 4,100. 3,630. 4,382.

driebasisch phosphorzure soda . . = 3,722. 3,688. 3,708.

koolzure soda — 15,830. 18,052. 16,626.

chlooralkaliën = 75,481. 73,945. 75,030.

Op aanzoek van v. Liebig heeft IIenneberg (Liebig's Annalen, 1847, Bd. 41, S. 255) een onderzoek in het vverlc gesteld omtrent de anorganische bestanddeelen van hoenderbloed. Hij vond in 1000 deelen: water 813,3, vaste deelen 186,7, asch 11.29. In 100 deelen asch waren bevat: potaseh 18,20, soda 29,24, chloorsodium 0,47, zwavelzuur 1,48, phosphorzuur 41.27, kiezelaarde 0.96, magnesia 0.95, kalk 2.08, ijzeroxvde 5.35. Vert.

Sluiten