Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelde (1): hij nain waar, zoo als uch verwachten liet, dat het bloed uit kleine vaten na eens Tier naar het slagaderlijke, dan weder meer naar het aderlijke gelakt (2).

Het bloed der pocrtader vindt Scuültz (3) dcnke der dan ander aderlijk bloed. Het z u noch door zuu.jLfgas, noch docr zouten róód gekleurd werden, niet streirmen of slechts een verdeeld coaguluu geven. Het zou rijker zijn aan wate", cruor en vet, en aimer aan eiwii dan gewoon aderlijk bloed. "V l^cns IIewson zou ook het aderljk bioed '!er milt niet stremmen (4) Vrij algemeen is men -an gevoelen, dat stondenbloed niet strembaar is. Deze meening is onjuist. Zij schijnt haar atstasn aan die gevallen ontleend te hebben, waarin het slondenbloed, wegens sluiting der scheede, zich in vloeibaren toestand in de baarmoeder heeft opgehoopt; maar ook ander bloed blijft dikwerf vLeibaar, wanneer het in grootere hoeveelheden in de holten van het ligchaam ingesloten is. In het stondenbloed, dat op de normale wijze afgescheiden werd, heb ik dikwijls aanzienlijke coagula gezien. In gevallen, waarin vele slijmligchaampjes en epiteliurn cellen uit de scheede met hetzelve vermengd zijn, zal de stremming slechts onvolkomen plaats grijpen. Overigens bezit het stondenbloed scheikundig geene bijzondere eigenaardige kenmerken (5).

(1) Récherches, p. 72.

(2) L. Hopff (Juhrb. f. p/act. Pharrn. XII) lieeft bloedvlekken op eene linnen broek als zoodanig scheikundig herkend, door de gelijktijdige aanwezigheid van eiwit en ijzer scheikundig aan te toonen, nadat de citgesnedene bevlekte plaatsen, op plantaardige kleurstoffen beproefd, een negatief resultaat hadden opgeleverd. Pi uia (A/mali di Chim, applic. alta uiedic. 1816, April) heeft in een geval, -waarin de bloedvlekken reeds waren uilgewasschen, door het vermoeden geleid, dat daarbij de gestolde vezelstof in het weefsel zou blijven hangen, het weefsel door middel van zamengedrongen zwavelzuur vernietigd, waarbij de fibrine onveranderd en als een trillend net overbleef en vervolgens door potasch kon worden uitgetrokken. Het zou vervolgens blaauwzuur en bij de destillatie ammonia ontwikkelen. Ilij gelooft evenwel niet, dat daardoor een positief bewijs voor de aanwezigheid van bloed geleverd wordt, maar wel dat, wanneer de bovengenoemde reaciiën niet worden opgemerkt, de afwezigheid van bloed wordt aangetoond. v£ri.

(3) Circulntion S. 130 cn volg.

(4) Exp. inq. III, 134.

(5) Heilbot. De atresia vaginae, p 18.

Sluiten