Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleuril (1); de afplatting en de ontwikkeling van den ovalen vorm giijpt eerst later plaats. Ook worden de bloedligchaampjes bij de vooitgaande ontwikkeling absoluut kleiner (Hewson, Pré vost en Dumas). R. "VYagker (2) nam bij embryones van Vcsperlilio muTinus van 8 lengte de bloedligchaampjes waar in den vorm van kogelvormige blaasjes van 0,0035—0,0066'", meestal 0,005'" doormeting, terwijl zij bij volwassene dieren 0,0020—0,0025'" meten. Na behandeling met water werden e:' aan de eerstgenoemde kernen zigtbaar van 0,0016—0,002 '. Bij schapen-embryones van lengte kon Wagner geen merkbaar onderscheid in grootte meer zien. E. II. MX eber (3) vond de bloedligchaampjes van een G lang tund-embrjo nog meer dan grooter dan die van volwassene ossen. Bij een hazen-embryo van 4waren de meeste bloedligchaampjes slechts weinig grooter dan die der moeder; de eerste waren gemiddeld 0,00243, de laatste 0,00208'". De bloedligchaampjes van een zwijnen-embryo van 8£" lengte (van den schedel tot aan de punt van het stuitbeen) waren in grootte gelijk aan de bloedligchaampjes van het volwassen zwijn. De bloedligchaampjes van een menschen-foetus, van 12 weken oud, maten volgens E. II. Weber meestal 0,0042'"; hun diameter verhield zich alzoo tot die der bloedligchaampjes van volwassene menschen als 3:2, eenige waren nog grooter, andere iets kleiner; overigens bezaten zij reeds eene platte gedaante (4). De

(1) Wlemin, Enttcickelungsoesch. S. 289.

(2) Beitrage, II, 3G. Icon. phys. Taf. XIII. fi<r. 3. \\ ? 12.

(3) Jiieile, De virihus duphnes mezerei. Diss. inaug. Lips. 1830.

(4) I)e meting-en van Hartikg (Récherches p. 41, volg.1 Iccrcn, dal dc eigenlijke bloedligchaampjes hij een embryo van maand merkbaar kléiner "/.ijn dan bij een voldragen kind, en dat zij eerst eenige weken na de geboorte hunne blijvende grootlc bereiken. Als gemiddelde doormeting bij een embryo van 3f maand vond hij 0.0053 mm. zich bewegende tusschen 0,0043 en 0.0070: bij een doodgeboren voldragen kind als uitersten 0,0047 en 0.0004 mm. en gemiddeld 0,0057; bij een kind van 8 maanden tusschen 0,0060 en 0,0080 min. gemiddeld 0,007G. liet komt hem dien ten gevolge voor, dat de ademhaling vereischt wordt, om de ontwikkeling der bloedligchaampjes te voltooijen. Deopgaven , dat het embryo grootcrc bloedligchaampjes bezit dan de volwassenen, hebben derhalve tot de vroegere tijden van het foetuslcven betrekking. J!ij een foetus van .'!§ maand was geen enkel ligcliaampje in bloed, dat de gemiddelde grootte der voltooide bloedligchaampjes bereikte, veel minder o\ er trof. Bij het embryo van 3 maanden zijn zij volgens

Sluiten