Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len door hunne grootte. Omstreeks dezen tijd zetten zich ook de beide uiteinden der bloedblaasjes uit; zij worden eivormig, smaller, maar zijn nog niet plat. Nu verdwijnen de ligchaampjes tot op een of drie, de bloedblaasjes worden plat, aan de randen snijdend, aan de polen spits, even als de bloeoligchaampjes van vol. wassenen; eindelijk wordt de zamengestelde kern eenvoudig, doordien de kleinere ligchaampjes tot een grooter ineensmelten ol verdwijnen, zoo dat er slechts een overblijit. Ook dit is aanvankelijk bultig, ongelijk, maar wordt later plat en elliptisch. Zoo lang nog de kleine korreltjes op den binnenwand der blaasjes verslrroid liggen, zijn zij graauwachtig wit. De kleuring ontstaat eerst gelijktijdig met de vorming van de eenvoudige kern, zoo als het schijnt, in ster- of straalvormige strepen, van den omtrek naar de kern toe of in omgekeerde rigting voortgaande. De vorming der bloedblaasjes is met het verdwijnen der kieuwen geëindigd (1).

(1) Al. Donnê (Cours de microscopie clc. lC44.p. 89)spootmelk in de bloedvaten, ten einde de ontwikkeling der bloedlichaampjes na te gaan. Hij begon met kikvorsclien, naarmate van bunne dikte, 2—4 grammen melk in de bloedvaten te spuiten; de dieren scbenen door deze operaiie niets te Ljden. Men zag eenige dagen lang de melkkogeltjes, meest tot hoopjes opgestapeld, met de bloedligchaampjes in de haarvaten circuleren; zij verdwenen later, zonder dat men zeggen kon, wat er van geworden was. Iiij vogels en zoogdieren bleef de melkinjcetic eveneens zonder in bet oog loopende gevolgen; duiven, raven en boende) s verdroegen 5—10, konijnen en kleine bonden 15—20 grammen koemelk, zonder andere verschijnsels voort te brengen, dan eene voorbijgaande, ligte verdooving; groolere honden en jonge zwijnen konden tot GO grammen verdragen. Alleen paarden maakten eene standvastige uitzondering, waarvan de grond door Donké niet kon worden gevonden. Van 7 paarden overleefde geen enkel de operatie, en een half glas vloeistof werkte evrn zoo zeker, als verscheidene liters. De dieren vielen als door den bliksem getroCen neder, en stierven na 1 2 uren. Donné verzekert, dat bij elke storende bijomstandigheid zorgvuldig heeft vermeden. Een ezelveulen verdroeg de inspuiting beter; het viel wel is waar eerst kugchcnd neder, maar kwam later weder bij.

Onmiddellijk na de operatie vindt men in bet bloed, dat op eene verwijderde plaats van bet ligchaam uit de ader is gelaten, de melkkogeltjes onveranderd terug; na 48 uren zijn zij volkomen verdwenen; onderzoekt men in den tusschentijd de verschillende afscheidingen, met name de urine, dan vertoont zich geen spoor van de elementen der melk, noch kaasstof, noch kogeltjes. IIenie oppert, de vraag (z. Jahresbericlit, 1845, S. 18), of DossÉ ook de gal heeft onderzocht. In bet "bloed grijpen intusschen de volgende veranderingen plaats: na ongeveer

Sluiten