Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Behalve de eigenlijke bloedligchaampjes onderscheidt Valentl\ (1) kleine, rondachtige kogeltjes met moleculair-beweging, die

2 uren hebben zich reeds de kleinste melkkogelijes tot 3—4 vereenigd en met een eiwit- (? — IIenle) laag omgeven, die eene soort van blaasje er om vormt; de grootere bezitten een soortgelijk omhulsel en worden terstond daar binnen ontleed; een zeker aantal is nog onveranderd. Iets later gelijken de eerste ligchaampjes nagenoeg volkomen aan de kleurlooze bloedligchaampjes, maar spoedig veranderen ook deze; de binnenste kernen verdwijnen en worden opgelost, de blaasjes worden afgeplat en vertoonen reeds eénelichte roodachtige kleur; zij bieden slechts nog- langer tegenstand aan het water en het azijnzuur, dan de eigenlijke bloedligchaampjes. Eindelijk na 24—48 uren is alles tot den normalen toestand teruggekeerd. Bij de vergelijking van het bloed uit verschillende organen gelooft Donné tot het resultaat te zijn gekomen, dat vooral in de milt de verandering der kleurlooze bloedligchaampjes in gekleurde plaatsheeft. AVcl is waar vertoonde het bloed in de vaatstammen der milt niets eigendommelijks; maar als uit de milt het ingeslotene en als hel ware met het weefsel van het orgaan verbondene bloed er wfed uitgeperst, werd er eene zoo groote hoeveelheid ongekleurde ligebaampjes gevonden, dat zij nagenoeg het aantal roode overtroffen, en dat wel in alle overgangstrappen tot de laatste. IIenle (t. a. p.) heeft opgemerkt, dat de waarnemingen van DONNÉ juist kunnen zijn, zonder dat daardoor nog bewezen is, dat de nieuwe ongekleurde bloedligchaampjes regtstrecks of op de door hem voorgestelde wijze uit de inelkligchaampjes voortgekomen waren. Wat hij omtrent het bloed der milt zegt, berust, volgens IIenle, in elk geval op eene dwaling, op eene vermenging van de parenchyma-kogeltjes der milt met het bloed.

Omtrent de eerste vorming der bloedligchaampjes hebben Prévost en Lebert bij kikvorschen en hoenders waarnemingen gedaan. Bij den kikvorsch ontstaan volgens hunne meening (Annal,. de sc. nat. 1844, Avril, p. 207) de bloedligchaampjes regtstreeks uit de kerncellen (globules organoplastiques) van het embryo, wier korrelige inhoud zou verdwijnen, terwijl in gelijke mate de kern duidelijker zou te voorschijn treden; later nemen de ligebaampjes eene geelachtige kleur aan en gaan van den ronden in den clliptischen vorm over. Vogt (t. z. p. Juillet, p 49) merkte daartegen op, dat volgens hunne metingen de kernen der globules organoplastiques nagenoeg den omvang van het geheele bloedligchaampjc van den volkomen ontwikkelden kikvorsch bezitten. Ilij betwijfelt daarom, dat de bloedligchaampjes regtstreeks metamorphosen van die groote cellen zouden zijn, maar wil evenwel ook niet als zijne meening uitspreken, dat zij uit hare kernen ontslaan, en meent, dat zij misschien het resultaat zijn van eene opvolgende reeks van nieuwe generatiën, waarvan elke volgende steeds meer aan de volkomcne gedaante nabij komt. Bij boenders vertoonden zich volgens Prévost en I.ebert (t. a. p, Mai, p. 233) bloedligchaampjes, na ecnen broeitijd

(1) F.ntwickelungsgesch. S. 297.

Sluiten