Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is waarschijnlijk, dat in volwassenen, bij normale en accidentele nieuwe vorming en regeneratie van vaatrijke weefsels, bloed -

lcvcr, en ook daarin bij toenemendcn ouderdom steeds spaarzamer, zonder evenwel zelfs bij 13"' lange embryones geheel en al te ontbreken.

G. Owen Rees [Lond. med. Gaz. 1845, overgedr. in IIeiler's Archio, 184G, p. 233) meent zich overtuigd tc hebben van de vermeerdering der bloedligcbaampjes door verdeeling, terwijl hij het bloed onder het mikroskoop op eene temperatuur van 100° F. hield. Sommige hadden den vorm van een zandlooper; anderen waren nog niet juist in het midden ingesnoerd; beide werden, wanneer de warmte aanhield, in 2 gelijke of ongelijke deelen gescheiden, waarvan elk zich weder als een bloedligchaampje voordeed. Bloed van individuen, die zich onmiddellijk vóór het onderzoek veel hadden bewogen, zou betzelfde verschijnsel aanbieden.

De vorming van nieuwe ligchaampjcs in het bloed der lever beschrijft Köllikek op de volgende wijze: Nieuw ontstane kleine kernen omhullen zich eerst met korreltjes en daarna met vliezen, en vormen bleeke cellen, die vervolgens, meer of minder vergroot, óf onmiddellijk óf na van hen zelf uitgaande voorafgegane vermeerdering, in gekleurde bloedligcbaampjes overgaan. Deze vermeerdering der ongekleurde ligchaampjes wordt uit soortgelijke vormen opgemaakt, en de wijze, waarop zij tot stand komt, evenzoo onbeslist gelaten als bij de gekleurde bloedligcbaampjes van liet embryo. De regeneratie van bloedligcbaampjes vond KöLiiker gedurende het geheele foetus-leven vrij .wel gelijk; de kleurlooze en weinig gekleurde bloedlichaampjes konden in het leverbloed een derde der geheele inassa uitmaken. In het bloed der overige vaten waren kleurlooze ligchaampjes bij menschen- en schapen-embryones spaarzaam en steeds verder ontwikkeld; slechts bij hagedissen-embryones waren zij in alle vaten even talrijk, zoo dat bij deze eene vorming van bloedligcbaampjes uit nieuwe ongekleurde cellen in de geheele bloedmassa moet worden aangenomen.

Dientengevolge zo.u de lever inderdaad de beteekenis bezitten, die Beichert er vroeger, zonder wezenlijken grond, aan toekende, de beteekenis namelijk van bij het embryo bloedvormend orgaan te zijn. Kóiiiker's onderzoekingen bepalen zich tot de zoogdieren: E. II. Weber (Zeitschr. ƒ. rad. Med. 1845, Bd. IV, Ileft 1, S. 1G0) schrijft aan de lever van het hoen en den kikvorsch, en bij de laatste zelfs niet alleen gedurende het foetus-leven, eene soortgelijke verrigting toe. De lever van het boen krijgt, volgens de vroegere mededeelingen van Weber , kort vóór dat het dier het ei verlaat, eene gele kleur, doordien het uit den dojerzak geresorbeerde overblijfsel der dojermassa in de galkanaaltjcs wordt afgezet; daar ondergaat de dojerstof allengs eene verandering, waardoor aan de eene zijde gal, aan de andere bloedligcbaampjes ontstaan, die door bloedvaten opgenomen worden. Eene soortgelijke kleurverandering nam Weber in de lever van kikvorschen in het voorjaar waar, ten tijde van de voltooijing der geslachtswerktuigen; ook hier is de kleur van sterk lichtbrekende kogeltjes afkomstig, die in de galkanaaltjes opgehoopt zijn. In dezelfde male, waarin zij weder

II. 14

Sluiten