Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de granulatiën zag ik ovale, naar beide zijden in puntige verlengsels uitgerekte cellen, grooter dan de overige cellen der zelfstandigheid, tot op 0,011'" doormeting, die eenen korreligen inhoud bezaten en in azijnzuur werden opgelost, waarna de ligchaampjes, die den inhoud uitmaakten, met eene celkern achterbleven (1). Misschien waren dit beginselen van haarvaten en bloedligchaampjes.

Doch niet alleen binnen de holte van nieuwe vaten, maar ook daarvan onafhankelijk , schijnen in volwassenen de bloedligchaampjes met het bloedplasma bestendig geregenereerd te worden. Wij hebben hunne ontwikkeling door het plasma der chyl en de lymphe tot aan de voltooijing der eenvoudige kern vroeger nagegaan, en durven aannemen, dat de meest ontwikkelde, reeds gekleurde ligchaampjes der lymphe met de gekleurde , kernhoudende bloedligchaampjes identisch zijn. Wel zijn gene steeds iets grooter, maar ook de bloedligchaampjes zwellen op en worden grooter onder omstandigheden, die in de lymphe bestendig gegeven zijn, namelijk bij vermindering van de opgeloste, vaste bestanddeelen van het plasma. Dat de bloedligchaampjes plat en die der lymphe

fles te kleiner, gelijkertijd homogeen als een vet droppel ije, en schijnt langs dezen weg eindelijk opgelost Ie worden. Of alle kernhoudende bloedligchaampjes deze metamorpliose doorloopen, wil Külliker niet beslissen; in liet bijzonder echter komt bet hem voor, dat de elliptische en rende groole ligchaampjes, die zich bij schapen-embryones vertoonen, niet in kernlooze bloedligchaampjes overgaan, maar óf tot endogene vermeerdering óf lot oplossing bestemd zijn.

Küuiklr (Ann. des sc. nat. 18i G, p. 92) meent, dat de ontwikkeling der bloedligchaampjes van den kikvorsch plaats heeft uit de gegranuleerde embryonale cellen van de as der vaten, even als bij de hoogere dieren.

De meening van Rejiak en anderen, dat de gekleurde bloedligchaampjes aanvankelijk als kernen in kleurlooze blaasjes bevat zijn, houdt VlRCnow (in zijn Archie, 1847, Heft II, S. 385) voor eene dwaling, waartoe de doortrekking van de kernen van kleurlooze bloedligchaampjes met afgescheidene baematine aanleiding gegeven heeft. Hij bevestigt (Heft I, S. 176) de mededeeling van Kölliker , betreffende het voorkomen van kernhoudende, gekleurde bloedligchaampjes in embryones. De nieuw gevormde bloedligchaampjes der gezwellen gelijken volgens IïFiüCH (Bösart. Geschwülsle, 1847, S. 313) aan de normale; cenigen bevatten kernen. Verr.

(1) Sclileim u. Eiter S. 58.

14 *

Sluiten