Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breedte, Rana lemporaria 0,012 op 0,007'", Leuciscus duhula 0,004—0,006'" op 0,002—0,004'". Yan alle bekende dieren heeft de Proleus anguineus de grootste bloedlichaampjes, 0,02ö'" lang, 0,012—0,016'" breed (R. Wagn°er). De kleurlooze bloedligchaampjes (lympheligchaampjes) der kikvorsehen hebben wij reeds boven beschreven. Zij schijnen volgens R. Wagner bij de dieren in eene juiste verhouding lot de grootte der bloedligchaampjes te staan, maar zijn evenwel van eene minder standvastige grootte. Zij zijn over het algemeen ïond, kogelvormig of eenigzins platgedrukt, en van eenen niet zeer regelmatigen vorm.

Het bloed der ongewervelde dieren bevat eveneens inikroskopische ligchaampjes, die echter meestal kleurloos en kogelrond, van eene onbestendige grootte en minder talrijk zijn. liet talrijkste zijn zij bij de cephalopoden (R. Wagner). Volgens w aamemingen ,• die ik voor verscheidene jaren gedaan en thans niet herhaald heb, bezaten zij bij Helix pomatia eene doormeting van 0,0055—0,0040'", schijnen uit afzonderlijke korreltjes te bestaan, maar scheiden zich, ook bij eene steike diukking, niet in korreltjes. Ik vond geene kern; Milne Edwards schrijft ze eene centrale kern toe. Eiireniserg meent bij Luiicix en Ilelix bloedligchaampjes gezien te hebben met eene doorschijnende schil en eene gekorrelde kern. In v\ater zwellen zij op, worden hoekig, mismaakt, maar lossen zich niet op; in azijnzuur blijven zij onveranderd. Door verdamping der vloeistof worden zij getand. In het bloed eener rups van Sphinx liguslri bezaten de ligchaampjes 0,002 0,006 in doormeting, waren spaarzamer dan bij Helix, maar kwamen overigens in vorm en verhouding ten opzigte van reagentia daarmede overeen. De bloedligchaampjes van den rivierkreeft meten 0,0015—0,007'"; zij zijn rond, volgens IIewson vlak, met eene centrale kern', maar worden na den dood terstond tot rondachtige onregelmatige kogels; volgens R. Wagner zijn de korreltjes bijeengehouden door eene doorschijnende zelfstandigheid, en sluiten zij eene lichte, ringvormige plek in, even als het kiemblaasje in den dojer. De bloedligchaampjes van eene kleine

Sluiten