Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Loplomcra vond Wiegjiann langwerpig, nan de beide einden toegespitst, als naviculae. De bloedligchaampjes van den bloedzuiger schenen mij glad toe, aanvankelijk rond, na iets langer gestaan te hebben eenigzins hoekig, zonder kern, niet meer dan 0,0001"' in doormeting. R. Wagner geeft hunne doormeting als 0,0020—0,0025'" op, en noemt ze gekorreld.

Over de vormen der bloedligchaampjes in de gewervelde dieren: Mayer, Froriep's Neue Notizen, N°. 190 (vindt onder de bloedligchaampjes van den dromedaris ronde en ovale); Gulliver, Ann. of nat. kist. 1859 December (de bloedligchaampjes van Lama en Paka elliptisch; de kleinste bezit het muskusdier, van 0,0008—0,0012'"); Owen, Lond. rned. gas. 1859, Nov. (bloedligchaampjes van den elephant, den rhinoceros, het gordeldier, de giraffe en den dromedaris, die der laatste elliptisch 0,0051"' op 0,0021"'). Mandl , Ann. des. sc. nat. 2e Sdr. XII, 189 (krokodil, proteus).

De bloedligchaampjes der Tardigrndae beschrijft Doyère, Ann. des sc. nat., 2e Serie, XIV, 510. Zij zijn kleurloos bij Milnesia en Macrobiolus, gekleurd bij Emydium, deels zamengesteld, korrelig, deels eenvoudig. De korreligen ovaal of polyedrisch, 0,068'" in doormeting, de eenvoudigen van 0,0016—0,0020'" en daaronder.

Bij ongewervelde dieren komt gekleurd plasma voor. liet is blaauwachtig bij Helix en Astacus, groenachtig bij de meeste insekten (Hewson noemt ook de bloedligchaampjes der insekten groen), rood bij de anneliden, geelachtig bij de echinodermala (Tiedemann). Het bloed scheidt zich meestal in cruor en serum, maar langzaam; bij Hirudo vormen zich slechts enkele vezelstof-vlokken.

Hewson, Exp. inq. III, 11, sq. Prévost et Dumas, Biblioth. univ. de Genève XVII, 215, 294, vertaald in Meckel's Archiv, VIII, 501; Burdach, Physiol. IV, 17; R. Wagner, Beilrage, I, 5, II, 7, 59. Dezelfde, Mension. micromélriq. p. 5 en Icon. plnjsiol. Tab. XIII. Eiirenberg, Structur des Seelenorganes. Schultz, Circulalion, S. 55. Mandl, Anat. microsc., Liv. 1. Milne Edwards, Ann. des sc. nat. 2C Serie, XI, 49, H. Nasse in F. und U. Nasse, Unlcrs.

Sluiten