Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II, b2, Harti.ng in v. d. IIoeve\ en de Vriese, Tijdschrift, VII, 177.

Poli, Tcstacca, I, 45, Tab. II, fig. 1—5 (Mollusken) Milne Edwards in Breciiet, Re'pert. III, P. 1, p. 29, Tab.

fijj- 9 (Mollusken), \, JVordmann, Milcrograph. Beilrarje, II, 75 (Lernaeën), Wiegmann in zijn Archiv, 1839, I, 111 (Laemopoden) (1).

Of MALriCDl {Epist. anat. de omento elc. 1G8G, p. 42) onder de oliedroppels, die te gelijk met liet bloed in de lever zouden instroomen, bloedlichaampjes verstaan bebbe, Iaat zich niet bepaald uitmaken; dat bij echter de blocdkorreltjes gekend heeft, blijkt uit eene plaats zijner Opera posthuma {p. 92): vSanguis in artcriis minimis jiarum rubescit et mixtos habet ylobulos quasi subluteos, lil quikus non vidi molum rotationis." LeeuWenhoe&'s beschrijving der bloedlichaampjes van den mcnsch {Opera, II, 421) verscheen het eerst in de Pkilos.

(1) Latere waarnemingen omtrent de bloedlichaampjes van gewervelde en ongewervelde dieren zijn medegedeeld: door G. Gclliver in een aanhangsel bij Gerber's Algem. Ontleedk., Londen 1842 (Hij beeft de bloedligchaampjes gemeten van 175 verschillende zoogdieren en 204 vogelsoorten. De resultaten zijn overgenomen in Valentin's Bepert. Bd. VIII, S. 171 en volg.) Later heeft hij zijne verstrooide medcdeelingei) omtrent bet bloed van gewervelde dieren bijeenverzameld in de Proceedings of the Zoolog. Soc. 1845, N°. CLII, en de bloedligchaampjes van Bradipus didactylus (Ann. of natural History, 1845, p. 123) beschreven, en eindelijk zijn de door hunne kleinte eigenaardig gekenmerkte bloedligchaampjes van bet muskusdicr (uit de Annals of nat. 11 i story. IV0. 128, overgenomen in Scdlejden u. Fboeiep's Notizcn, 1847, Bd. III, p. 282); voorts door Whartok Jones (Philosopfi. Transact. 1840', P. II), almede van vele gewervelde en ongewervelde dieren, en door II. O wen (Lectures oh tlie comparative anatomj and physiology of the vertebrale animals, London, 1838, P. I. Fishes, p. 13) (gewervelde dieren), verder door II Muller (Zeitschr. f. rat. Med. 1845, Bd. Ilf, S. 272) (kleurlooze bloedligchaampjes der vogels); Al. Dojnné (Cours de microscop. 1844, p. 70, Atlas, F. G—16) (bloedligchaampjes van den kameel en kikvorsch); II. L. C. Barkow (Der Winterschlaf, 184G) (Mollusca); ii. Lebert en Cu. Robin (JIüLLERS Archie, 13fG, S. 121) (Mollusca, Crustacea); 1. wlll (Hor nu tergestinae, oder Beschreibung und Anatomie der im Ilerbst 1843 lei Triest beolachteten Ahalephen, 1844, S. 37) (gekleurde bloedligchaampjes der meduscn); G. New met {Ann. d. sciences naturelles, 1845, lom. IV. S. 3G4) (bloedligchaampjes der inseklen); A. de Qdaireeaces (Ann. d. sc. nat. 184G , Juin. p. 379, Oetob. p. 241) (Anneliden); de waarneming van Ketzios en J. Muller, dat bet bloed van Amphio.vus gecne mikroskopische deeltjes bezit, werd door A. te Qratrefages bevestigd {Ann. des sc. nat. 1845, I. IV, p. 3G4). V'eRT.

Sluiten