Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Transact. 1071: nlstud vero memorabile mihi videhalur. quod plerique globuli cui vamen quoddam sive sinum inlus recedenlem liaberent, veluti si vesiculam aqua plenum Jiabeamus et medium vesiculae, per impressionem digiti, quasi fovea vel scrobieulo quodam cxcavemus. El curn isti globuli, figura plana digesli (dum enim rariore ordine dispersi jacent, prae summa molliludine figurant induunl plu nam), confertius sibi adjticent, quandoque figuram induunl ovatam; quando curvamina illa, de quil/us mox egi, si re sinus etiam sunl longiusculi." Het bloed van zalmen ving Leeuwenhoek in glazen buisjes op, en onderzocht liet daarin vloeibaar (VI, 217): alle ligcbaampjes waren ovaal en vlak, en badden, wanneer zij den rand naar boven keerden, eene naauwelijlis merkbare dikte. Op een glas uitgespreid, deden zij zich na de verdamping van het liquor sanguinis uit kogeltjes zaïnengesteld voor, meestal 6 in getal, en elk dezer zes kogeltjes bestond weder uit zes. De meesten waren in het midden lichter; eenigen waren dat meer dan anderen In de afbeeldingen zijn de kernen duidelijk aangegeven. Enkele opgaven, namelijk metingen, worden gevonden bij Jorin (Pliilos. transact. XXIX, 1714, p. 7G2), Mii.es (t. z. p. 1740—41, p. 4G0), Senac (Traité du coeur, 1749, II, 656), Moïs (Muscul. falrica, 1751, p. 300), Swammerdam [Bijbel der Natuur, 1752 , S. 329), Eller (Acad. de Berlin, 1753, VII, 1), BüTT (De sponlanea sanguinis separalione, Edinb. 17G0, in Sandifort, Tlies. II, 401) en AVeiss (Acta helvet. IV, 340, V, 351, 1760), Sénac overtuigde zich, doordien hij de bloediigcliaampjes van den menscli liet rollen, dat zij lensvormig waren; in het midden zag hij eene plek, die zich nu eens licht, dan weder donker voordeed. Ook de ligcbaampjes van het kikvorsehenbloed vond hij zoo plat als linzen. Swammerdam vergeleek de laatste, wanneer zij op den rand stonden, met kristallen staafjes. Muts zegt, dat de ligcbaampjes bij den mensch en de zoogdieren rond zijn, bij vogels, kruipende dieren en visschen elliptisch, maar ook bij deze laatsten kwamen kleinere, ronde ligcbaampjes voor. In het midden vond hij eene plek, die er nu eens als eene verhevenheid, dan weder als eene uilholing uitzag, meestal gelijkmatig donker. P. 100 zegt hij: Even als een stuk gom zich langzamer in gomslijmdan in zuiver water oplost, zoo blijven ook de bloediigcliaampjes in hun serum verscheidene dagen onveranderd; in water echter smelten zij (liquescunt), kleuren het water rood, en zijn terstond in vele kleinere kogeltjes ontleed. Uott zeide bepaald, dat de ligcbaampjes, hoe gering ook in aantal, toch het eenige kleurende bestanddeel van het bloed waren.

In liet jaar 17G0 verschenen voor het eerst de waarnemingen van heuaTorüe, later uitvoerig medegedeeld en uitgebreid in zijne Nuove osserv. 177G, p. 82, Tav. XIV. Bij eene zwakke vergrooting zag hij de kogeltjes met een zwart punt in liet midden; sterker vergroot, werd het punt tot eene ronde begrensde plek, welke della Torre voor eene opening hield; bij nog sterkere vergrooting deden zich de ligchaampjes als een ring voor, die in den omtrek licht en in liet midden donker was. De sterkste vergrootingen vcrloonen den ring uit verscheidene stukken zamengesteld, onregelmatig (blijkbaar de korrelige vorm van beginnende verdamping). Deila Torre merkte reeds op, dat de bloediigcliaampjes zich gaarne tot zuiltjes aan elkander leggen, en geeft eene goede afbeelding van zulke zuil-

Sluiten