Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tjes (Fig. 4). Hij merkte de elasticiteit der bloedlichaampjes op, wanneer enkele door oenen naauwen gang tusschen twee hoopjes heenstroomden. 1'on (Testacea, I, 47, 1791) sluit zich in de beschrijving der menschelijke bloedligchaampjes aan deila Torre aan, maar merkt evenwel op, dat de opening in het midden, bij eene zekere wijze van verlichting, zich als eene umbo voordoet; Fontana (Viperngift, 1787, S. 43) verklaart zich daartegen, omdat onder het mikroskoop alle kogeltjes zich als ringen voordoen, maar geeft toch van de bloedligchaampjes van het konijn eene afbeelding met eene centrale plek (Taf. V, Fig. 13).

Het eerste volkomene en grondige onderzoek van het bloed en zijne mikroskopische bestanddeelen is door IIewson geleverd. Reeds Sénac en Bütt hadden aangetoond, dat de bloedkoek uit strembare Iymphe (vezelstof) en uit kleurende ligebaampjes bestond, die met water weggespoeld konden worden; IIewson toonde aan, dat in bloed, waarop eene spekkorst gevonden wordt, of waarvan door zouten de stremming was opgehouden, de ligebaampjes zinken, en de daarboven staande, kleurlooze vloeistof, afgeschept, door water stremt [Exp inq. I, 1771. p. 11). Ten opzigte van de bloedligchaampjes, wederlcgde bij de van Leeuwenhoek afkomstige dwaling, dat zij bij den menseh en de zoogdieren korrelig zouden zijn, eene dwaling, waartoe deze groote natuuronderzoeker door bespiegeling, in tegenspraak met zijne waarnemingen, gekomen was [Exp. inq. III, 1777, p. 1, sq. eerst verschenen in de Philos• trtmsact. 1773); bij leerde het bloed met scrum en verdunde oplossingen van verschillende onzijdige zouten verdunnen, om het verdund te behouden, zonder dat de vorm der ligebaampjes veranderd werd. Zoo deden zij zich van verschillende grootte en vorm hij verschillende dieren voor, maar overal plat, met eene donkere plek in het midden. Die van den menseh vergeleek bij met een guinje. Door water, dat meer zout bevat dan de wei, worden zij eenigzins gekromd, worden platter, en de schil legt zich vast om dejkern (p. 14, 31). Als zoodanig beschouwde hij namelijk de plek, als een vast gedeelte, midden in een vlak blaasje, dat o\erigens hol en ledig of met eene fijne vloeistof gevuld zou zijn (p. IC). Dit bewees hij aan bloedligchaampjes van visschen en kikvorsehen, door bijgieting van water, waarna de blaasjes, kogelvormig, dunner en doorschijnend, eindelijk opgelost werden en de kogelvormige kern overbleef; in de kogelvormige blaasjes rolde do kern los in bet rond, of zat aan een gedeelte vast. Van de bloedligchaampjes des menschen geeft IIewson op, dat zij door water kogelvormig worden, en dat bij goed licht en bij eene sterke vergrooting ook de daar binnen rondrollende kern zigtbaar was (p. 20); terstond daarop laat hij zeer juist volgen, dat water de donkere plek in bloedligchaampjes van den menseh doet verdwijnen; in bloedligchaampjes uit de millader kon hij gcene kern herkennen (p. 135). In rottend bloed en door bijvoeging van rottend serum worden de ligebaampjes moerbczievormig; eenige gingen te niet; in andere deed zich de kern in de lengte gedeeld voor (p. 23); in het bloed van den aal werden de blaasjes gespleten en trad dc kern naar buiten. De neiging der bloedligchaampjes, om rollen te vormen, is aan den voortrede!ijken waarnemer niet ontgaan (p. 28). Van p. 32 af volgen cr zeer uitvoerige chemische onderzoekingen der bloedligchaampjes, waaruit het besluit getrokken werd, dat de aanwezigheid van zouten in de wei een noodzakelijk vereischlc is, om den vorm der

Sluiten