Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarom niet terstond dien ingang gevonden, die hetzelve toekwam, omdat hij ter liefde eener vroegere dwaling en tegen alle physische wetten in, den inhoud der blaasjes voor eene luclitvormige vloeistof verklaarde.

Eindelijk was ten opzigte der bloedligchaampjes van den mensch en de zoogdieren nog eene schrede terug le maken. Leeüweniioek had ze juist beschreven. Daar men echter begon te vergelijken en een gemeenschappelijk plan van organisatie in de dierenwereld op den voorgrond stelde, werden de bloedligchaampjes der hoogste gewervelde dieren, even als die der lagere, voor kernhoudend verklaard. De oorzaak dezer dwaling heb ik reeds boven opgegeven. Het menigvuldigst zag men als kern de centrale depressie aan: zoo geeft J. Muller op, dat hij de bloedligchaampjes laag uitgehold zag en bij eene zekere verlichting eene scherp begrensde centrale plek waarnam; Schcltz [Circulation, S. 19) maakt de kern door jodium ziglbaar, hetwelk de blaasjes kleurde, terwijl de centrale plek licht bleef; K. AVagner (Beilriige, II, 32) beschrijft haar alsrondachtig, centraal en als een donker bullje in de schotelvormige uitholing (zijne afbeeldingen, namelijk in de Icones pliysiol., zijn zeer getrouw, en vertoonen inderdaad mets van eene kern, maar eenen indruk); ook bij Berres (Mikrosh. Anatomie, Taf. IV, Fig.4) en in Ehrenberc's afbeeldingen (ünerlcannle Structur, Taf. II) is de centrale uilhohng als kern opgevat. De geïsoleerde kernen van Ehrenberg, en waarschijnlijk ook die van Kraose (Müller's Arnhio, 1837, S. 4), zijn de door water onregelmatig gewordene en geborstene blaasjes. Hetgeen na behandeling met azijnzuur overblijft, zijn zeker kernen. Deze hebben Muller, Kraüse {Anat. S. XII) en AVagner (IIecker's Annalen, 1834, S. 135) juist gezien, en zij waren dien ten gevolge des te meer geregtigd, aan de bloedligchaampjes der zoogdieren eene kern toe te schrijven. Dat zij in enkelen ontbreekt, heeft SonCLTZ reeds (Circulation, S. 72, en in een later opstel, IIdïelakd'sJournal,

1838, April, S. 5) toegegeven, en het verdwijnen der kern als het begin van cenen staat van teruggang aangemerkt. II. Nasse (F. u. II. Nasse, Unters. II,

1839, S. 1, 145) -heeft eveneens uit het liikvorschenbloed kernlooze ligchaampjes beschreven, en opgegeven, dat in de ligchaampjes der zoogdieren zulk eene kern niet bestaat als in die der andere gewervelde dieren (1). Om zich echter te overtuigen, hoe gering betrekkelijk het aantal van kernhoudende bloedligchaampjes is, moet men het azijnzuur onder het mikroskoop er langzaam bijvoegen , terwijl men een groot aantal bloedligchaampjes te gelijk overziet en in het oog houdt. Beschrijft men derhalve, zoo als billijk is, de bloedligchaampjes naar den regelmatigen en meest ontwikkelden vorm, dan moet men E. 11. Weiier (RosenMüLLER's Anat. 1340, .S. 30) gelijkgeven, die, hoewel hij tegenwoordig de kern van de bloedligchaampjes der kikvorsehen niet meer ontkent, toch verklaart dat men aan bloedligchaampjes van den mensch en de zoogdieren de kern niet van' buiten onderscheitien kan, en dat hetgeen men daarvoor gehouden heeft, een

(1) II. Nasse (Wagker's Handwörterb., 1,90) vond de kernen bij menschen het talrijkst in liet bloed van zwangere vrouwen, en hare rudimenten in nagenoeg alle bloedligchaampjes. " y£nT

Sluiten