Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichtglans of eene schaduw is, die daardoor ontslaat, dat de schijven der bloedligchaampjes zich krommen en convex-concaaf worden.

lliiNEFELD (Chemismus, 1840, S. 105) neemt aan, dat de omhulsels der bloedlichaampjes (van kikvorschen) uit twee vliezen bestaan; dat het binnenste vlies, hetwelk eerst de vloeistof van het bloedligchaampje insluit, onderden invloed van koolzure ammonia zich rimpelt en van het buitenste terugtrekt. Deze dwaling wordt verklaard, wanneer men zich de wijze te binnen brengt, waarop de door endosrnose opgenomene vloeistoffen zich langzaam met den inhoud der blaasjes vermengen. Aanvankelijk zijn zij afgescheiden te zien, even als dat met water en rooden wijn het geval is, wanneer men den laatsten er zeer langzaam bijvoegt; misschien kan ook in het eerste oogenblik de buitenste laag der kleurstof stremmen ; in korten tijd echter gaan zoutoplossing en kleurstof volkomen en gelijkmatig in elkander over.

De kogeltjes der chyl waren eveneens aan Leedwenhoek reeds bekend (Opera, lil, 11). Hij zag cliyl uit een lymphevat van hel darmkanaal zich in coagulum cn serum scheiden: het coagulum bestond uit eene lichte zelfstandigheid, waarin ligehaarnpjes ingestrooid waren, ongeveer \ zoo groot als blocdligchaampjes, die van 2—6 aaneen hingen; dergelijke ligehaarnpjes dreven ook in de wei, met een groot aantal van nog veel kleinere ligehaarnpjes. Delia Torre (Nuove osserv. 1776, p. 82) vond in de chyl onregelmatige partikeltjes, die den ronden vorin naderbij kwamen. Over lymphe ontvingen wij de eerste meer uitvoerige mededeelingen van Hewson (E.vp.inq. II, 100, 111, 67). Voor bet mikroskopisch onderzoek bezigde hij de vloeistof, die hij door uitpersing van lymphe-klieren verkreeg, maar ook den inhoud van lymphe-vaten, namelijk der borstklier (III, 81). Aan het onderzoek van de vloeistof uit klieren kan men weinig waarde hechten, daar hier niet alleen de korreltjes van het parenchyma, maar zelfs etter en tuberkelstof onder kunnen loopen. Toen hij de lymphe met serum of zout waler verdunde, ontdekte hij er mikroskopische partikeltjes in, vele punlen van overeenkomst aanbiedende in grootte en vorm met de kernen der bloedligchaampjes, onoplosbaar in serum en zoutoplossing, maar oplosbaar in water, llij hield de lymphe-klieren voor de afscheidings-werktuigen dezer korreltjes, de lymphe-vaten als het ware voor de uillozingsbuizen der lymphe-klieren (III, 122). In de lymphe der lymphevaten zag hij een gedeelte dezer ligehaarnpjes met eene roode schil omgeven; hij trok daaruit het besluit, dat het lymphevat de schil afscheidt, of de in zich bevatte vloeistof zoo verandert, dat daarin de vorming van schil en kleurstof geschiedt. In de korreltjes der borstklier vond hij overeenkomst met de lympheligchaampjes, en verklaarde daarom de borstklier voor een afscheidingsorgaan van kernen der bloedligchaampjes (p. 127) en een hulpwerktuig der lymphe-klieren. De milt daarentegen, wier lymphe-vaten eene vloeistof bevatten, die meer overeenkomst met het bloed aanbiedt, noemde hij het afscheidings-werktnig der kleurstofomhulsels; zij zou daarmede de kernen beklecden, die zonder omhulsel in het bloed geraakten (p. 133), en zou cvenzoo een hulpwerktuig der lymphevaten zijn, als de tbymus dit is van de lymphe-klieren. Het eerste gedeelte van dit kunstmatig gebouw, de veronderstelde vorming der lympheligchaampjes door de lympheklieren, werd omvergeworpen door J. Muller, llij en II. Nasse namen de ko-

II. is

Sluiten