Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buizen, en zelfs absoluut, de wijdste mazen. De tusschenruimten in de vaatnetten van de mergzelfstandigheid der hersenen zijn volgens E. H. Weber 0,0142"' breed en 0,025''' lang, in de lengte derhalve 8—10 maal, in de breedte 4—6 maal grooter, dan de doormeting der haarvaten. Aan de haarvaatnetten der slijmvliezen en der huid zijn de mazen dikwijls slechts 5—4 maal, dikwijls slechts even zoo wijd als en zelfs nog naauwer dan de vaten. Aan het beenvlies, waarvan de vaten ongeveer dezelfde doormeting bezitten als de vaten van het slijmvlies, zijn de tusschenruimten veel grooter en onregelmatiger; aan het celvlies eener slagader zag ik ze nu en dan 10 maal zoo wijd als de buizen; maar dan schenen in de tusschenruimten reeds de vaten eener diepere laag door. In de nieren vond J. Muller de doormeting der haarvaten in verhouding tot de tusschenruimten als 1 : 5—4; aan eene LiEBERKÜniVsche injectie van de alvleeschklier vond ik mazen en buizen van tamelijk gelijke doormeting. liet naauwst zijn de mazen in de longen, waar zij nagenoeg doorloopend fijner zijn dan de buizen, en nu en dan smalle spleetjes daartusschen vormen (PI. III, fig. 1). Ter vergelijking van den rijkdom aan bloed van verschillende deelen zijn deze opgaven zeer bruikbaar; in het algemeen moet men zich echter in het levende ligchaam de mazen betrekkelijk wijder voorstellen, daar bij het 'droogen de weeke tusschenruimten meer ineenschrompelen dan de opgespotene vaten.

Uit de vergelijking van de betrekkelijke wijdte der buizen en der mazen in verschillende weefsels blijkt, dat de tusschenruimten betrekkelijk des te naauwer zijn, naarmate het bloedverbruik grooter is; zij zijn het naauwst in de klieren der huid en der slijmvliezen, het wijdst in de zenuwen, de fibreuze deelen, de sereuze vliezen, enz. Zij zijn dien ten ge'volge ook naauwer in organen, die groeijen, b. v. in de verbeenende kraakbeenderen bij kinderen, dan in de voltooide. Men kan zich voorstellen, dat, van de haarvaten af, het parenchyma der weefsels een eindwegs met de voedende bestanddeelen van het bloed wordt doortrokken, des te verder, naarmate die bestanddeelen door de naastbij gelegene minder veranderd worden. Een goed beêld van deze omstandigheid leveren de weiden, die, ter verbetering der kuituur, met

Sluiten