Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noeg volkomene quadraten vormen de mazen aan eene Lieberkühn'sche injectie van de huid van den arm (PI. III, fig. 2). Ook in het buitenste vlies der slagaders gaan de buisjes van het wijde capillairstelsel nagenoeg onder regte hoeken in elkander over. Langwerpig uitgerekte mazen zijn die, waarin met eene zekere gelijkvormigheid de eene doormeting, de overlangsche, de andere, de dwarse, aanmerkelijk overtreft. Zij komen in alle deelen voor, waarin de haarvaatnetten lijne buizen of vezelbundels omspinnen , het duidelijkst in de spieren (PI. III, iig. 4) en zenuwen. In deze deelen hebben de tussehenruimten gewoonlijk den vorm van een oblongum, waarvan de smalste zijde dikwijls slechts het tiende gedeelte van de langste uitmaakt. De langste zijde loopt evenwijdig met de lengteas der vezels of buizen. Uitgerekte, maar meer ovale mazen komen evenwel ook op andere plaatsen voor: in het slijmvlies van den neus zijn zij 5—8 maal zoo lang als breed, ovaal en aan beide zijden toegespitst (PI. III, fig. 5); ook in het slijmvlies der pisblaas zijn de wijde mazen grootendeels in eene rigting langer.

De beide soorten van mazen, zoowel de ronde als de langwerpig uitgerekte, verkrijgen weder bij eenige grootte een verschillend aanzien, naarmate de insluitende buisjes regt of gekronkeld loopen : in de zenuwen, spieren en pezen kan men een capillair stammetje dikwijls in eene lange uitgestrektheid volkomen regt zien loopen; in de vliezen, in het interstitiële bindweefsel, in het vetvlies zijn de buisjes wijder, en gelijktijdig eenvoudig of golfvormig gebogen. Het schijnt, dat zelfs in de kleinste deelen van het vaatstelsel, even als in de groote stammen, door den gekronkelden loop der buizen er voor gezorgd is, dat zij zonder nadeel eene grootere uitzetting zouden kunnen verdragen.

Eene variëteit van de langwerpig uitgerekte mazen, die van de eigenaardige gedaante der vaste deelen afhankelijk is, vormen de lissen. In de kleinere tepeltjes der huid en der slijmvliezen, met name de tong, ziet men een vat opgaan, ombuigen en weder nederdalen, zeldzamer in langere en dikkere papillen ook dwarse verbindingstakjes tusschen het opgaand en nederdalend takje. Men is gewoon zich voor te stellen, dat het opgaande vat slagaderlijk, het nederdalende aderlijk is; dat het eerstgenoemde stammetje uit

Sluiten