Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den rand toe en hangt met de haarvaatnetten der wicmbvanu capsulo-pupillaris en later met die der zonula zinnii zamen, waardoor het bloed in de venae ciliares terugkeert.

Van de gewone wijze, waarop de slagaders in de aders overgaan, wordt eene merkwaardige uitzondering gevonden in de sponsachtige ligc-hamen der penis, der clitoris en der pisbuis, wier weefsel men met den naam van evccliel gewoon is aan te duiden. Het eigenaardige daarvan berust hoofdzakelijk daarop, dat de slagaders en aders niet door zulke fijne haarvaatnetten, als in andere deelen, zamenliangen, en de overgang van gene in deze plotseling plaats heeit, daar de laatste slagadertakjes, die grootendeels nog met het bloote oog zigtbaar zijn, op eens in de aanzienlijk wijde oorsprongen der aders inmonden. De wijze, waarop deze ininon • ding plaats heeft, is het onderwerp van eenen nog niet uiteremaakten strijd.

Van den wortel van het corpus cavernosum af aan gaat de art. profunda penis daarin, en loopt zoo tamelijk in de as van den cylinder eenigzins gekronkeld naar voren. Hare grootere en kleinere takken liggen in het boven bèschrevene plaat- en balkenweefsel der sponsachtige ligchamen, en wel zoo, dat zij in de lamellen netten vormen, en in elk balkje een aan zijne dikte evenredig vat regt of schroefvormig gewonden loopt. J. Muller (1) neem" twee soorten van takken der art. profunda aan, rami nutritii, die zich in het balkenweefsel verspreiden en voor zijne voedino dienen, en daarin ook onafgebroken in aders overgaan, en rami helicini, blind eindigende, rankvormig gekromde aanhangsels of uitwassen der arleria profunda, die vrij in de cellen of mazen der corpora cavernosa uitsteken, en volgens het vermoeden van Muller , door openingen aan de punt, het bloed bij de erectie onmiddellijk in de mazen der corpora cavernosa uitstorten. Hunne doormeting bedraagt 0,07—0,08'". Zij gaan deels afzonderlijk bier en daar al, deels in kleine hoopjes, waardoor kwastjes van ö—10 en meer slagadertjes ontslaan; in het laatste geval hebben de slagadertjes een gemeenschappelijk stammetje, dat zich terstond in de afzonderlijke slagaderen verdeelt (2).

(t) Archiv, 1835, S. 202.

(2) J. Muli.er, t. a |>. Taf. til, 1'ijr. 1 — 5, Fij. 7, Archiv1838, Taf. V.

Sluiten