Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I)e wijze, waarop de grootcre slagaders en aders zich verspreiden, is uit de ontleedkundige beschrijving van het ligchaam bekend. Ik wil slechts kortelijk herinneren, dat in liet algemeen de takken van de stammen onder scherpe hoeken uitgaan, dal gewoonlijk het kaliber der buizen naar den omtrek toe allengs afneemt, dat echter aan de groote vaten nu en dan eenige overeenkomst met den vorm der haarvaatnetten in dit opzigt ontslaat, dat een grooler of kleiner aantal lakken, die zoo tamelijk dezelfde doormeling behouden, van den eenen stam naar den anderen gaan. Zulke verbindingen noemt men nnastomoses, en wanneer zij zeer talrijk en de tusschenruimten betrekkelijk onbelangrijk zijn, plexus. Deze laatste komen het menigvuldigst aan aderlijke stammen voor, en zijn om den endeldarm, den hals der blaas en den wortel der roede nu en dan zoo digt, dat zij zich door niets anders dan door hare grootte van de naauwste haarvaatnetten onderscheiden. De boomachtige takverdeeling blijft lot in de fijnste slagaderlijke en aderlijke takken bewaard, maar ondergaat eenige wijzigingen, naarmate van het maaksel der organen en den vorm der tusschenruimten. Wanneer een vat, uit de diepte naar boven gaande, op eene vlakte komt, dan stralen de takken divergerend naar alle kanten uit, en doen zich ster- of wervelvormig voor, naarmate de fijnere takken

Keurige afbeeldingen van verschillende liaarvaalnetlen vindt men in groolen getale in IÏERRE5, hIitcrosk. Anut., Taf. II, III, VI—XV. Arnoid, Icon. mint., Fase. II, Tab. I, % 17, Tab. II, fig. 19—21 , Tab. III , fig. 7, 21, Tab. V, f.g. 23, 24, Tab. IX, fig. 3, Tab. X, fig. 14—20, Tab. XI, fig. 12, 13, lt. Wagker, Icon. physiol., Tab. XIV, fig. 1—5, Tab. XV, fig. 1—7, 'lab. XVIII, fig. 13, Tab. XX, fig. 8—13.

Enkele goede afbeeldingen geven Zinn, Oc. hum. Tab. II, fig. 3 (Plexus choroid.); soemmerihg. Icon. ocul. hum., Tab. VI, fig. 1,3, 7; dezelfde. Icon. org. auditus, Tab. !V, fig. 22 (Saccus hemiellipt.); dezelfde, Icon. org. olfaclus, Tab. II, fig. 6; dezelfde, Denksclir. d. Baiers. Acad., Dd. 1, Taf. I ^hersenen), Bd. VII (choroidea), PrOOHasca, De carne musculari, Tab. VI, fig. 5; döllinger, Vasa sanguif. vill. fig. 4—7: de/.elfde, Meckel's Archiv, 1820, Taf. IV, fig. 13—15 (spieren); JIascagni, Prodromo, Tab. II, fig. 7, 8, Tab. III, fig. 41, 42 (huid); IIeisseissen, Ban der Lungen, Taf. III; IÏBLE, Bau u. krunkh. d. Bindeliaut, Taf. II, fig. 11; J. Mul.l i,li, (ïland. secerti. Tab. X, fig. 11 (lever); Marshall Hall, Circulation, PI. VIII (long der schildpad); Klich , de memhr. pupill. Fig. 1 ; ScbüLZ, Circulation, Taf. VII (zwemvlies van den kikvorsch).

Sluiten