Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

honden, dat zijn grondvorm geheel en al onkenbaar is, en men slechts een netvormig weefsel van hoogst fijne vezels voor zich meent te hebben, waaraan nog even een over het algemeen overlangsch beloop der anastomoserende vezels is op te merken. Inderdaad schijnt het, alsof naar buiten toe de eigenlijke membraneuze grondlaag verloren ging, ongeveer als door resorptie en als of het aanvankelijk gevensterde vlies in afzonderlijke vezels werd ontleed (PI. III, fig. 12). Het proces dezer vezelvorming grijpt derhalve op de volgende wijze plaats: eene laag van cellen (epithelium) gaat na resorptie der kernen in een homogeen vlies ov.er; hierop vormen zich, waarschijnlijk door afzetting van fijne korreltjes, vezels, terwijl intusschen het vlies zelf eerst gedeeltelijk (van openingen voorzien) en eindelijk geheel en al opgelost wordt. Afzonderlijke stukken van het gestreepte vaatvlies vindt men ook tusschen de lagen der volgende vliezen; ik zal daarop later terugkomen.

De derde laag is eigenaardig gekenmerkt door dikkere overlangsche strepen, welke uit de overlangs-ovale kernen van het primaire vaatvlies ontstaan. Zij is misschien niets anders dan eene verdere ontwikkeling van dit vlies, wanneer men niet wil aannemen, dat zij oorspronkelijk op deszelfs buitenste of binnenste oppervlakte ontstaat, en dat daarna het primaire vaatvlies verdwijnt. Somtijds gaan de cellen van liet epithelium in de vezels van dit vlies onmiddellijk over, en alsdan ontbreekt het gestreepte vaatvlies. Deze derde laag is gewoonlijk eenvoudig; in dikkere, met name aderlijke vaten kan zij echter door opeenstapeling der lagen vrij sterk worden. Men kan haar overlangs vezelvlies noemen. Aan kleinere vaten, van ongeveer 0,01"' doormeting, is deze laag niet wel te isoleren; men ziet slechts, dat, omgeven door de kringvormige laag, donkere lijnen op regelmatige afstanden van elkander overlangs loopen, en dat deze lijnen, menigvuldig afgebroken, meer dan duidelijk uit de verlengde overlangs-ovale kernen zamengesteld worden. Zij zijn nog korrelig, bezitten eene tamelijke breedte en ook wel een gekronkeld beloop, wanneer de afzonderlijke stukken, die zich overlangs aan elkander hebben aangesloten, gekronkeld üi halvemaanvormig gebogen liggen, en de holle zijden van die halvemaanvormige inbuigingen afwisselend regts en links geplaatst zijn. De overeenkomst van deze strepen en van hare wijze van

Sluiten