Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontstaan met de kernvezels van het bindweefsel (PI. II, fig. 6, b) en de donkere overlangsche vezels der haren (PI. I, fig. 16, d) is niet te ontkennen. Dat een cigendommelijk vlies de ruimten tusschen de evenwijdige strepen aanvult, is slechts een vermoeden.

l»ij vaten van een eenigzins dikker kaliber is het bestaan van deze laag niet meer twijfelachtig. Door eene eenigzins onzachte behandeling toch van het praeparaat wordt het overlangsche vezelvlies verscheurd en trekt het ziel) terstond naar beide zijden terug (PI. III, fig.'10, na)-, zeldzaam steekt zij aan de doorsnede over de kringvormige laag uit. In deze gevallen wordt de dwars doorgescheurde rand van het vlies, dat de drager der overlangsche strepen is, tusschen de einden der overlangsche'strepen zigtbaar. Wanneer men nu eene groole atk:r opensnijdt en, wanneer het mogelijk is, de fijnste binnenste laag overlangs aftrekt, dan bekomt men (natuurlijk met stukken van het epithelium en van het gevensterde vlies, wanneer deze voorhanden zijn) een bleek en korrelig vlies, dat door donkere, overlangs loopende strepen, in platte, in de lengte'naast elkander liggende vezels schijnt gescheiden; en zich aan den rand der strepen ook in vezels splijt. Het bezit, even als het gevensterde vlies, de neiging om zich in de lengte op te rollen. De afstand tusschen deze strepen van elkander, en dien ten gevolge de breedte der platte vezels, aan wier rand zij naar beneden schijnen te loopen, bedroeg aan een vat van 0,4 ' doorineting 0,05"', aan de vena brachialis 0,005—0,00G'"; de dikte der donkere strepen of vezels reeds niet meer dan 0,0009"'; in dikkere vaten beginnen deze, wanneer zij geisoleerd zijn, of een eindwegs over het vlies uitsteken, zich rankvorinig te klommen, even als de elastische vezels; zij bieden daarmede nog meerdere punten van overeenkomst aan, daar zij zich door zijtakken met elkander verbinden, die óf onder scherpe hoeken afgaan en een net van rhomboïdale mazen daarstellen, óf ook in eene dwarse rigting heenloopen en zich verder in takken splijten, zoo dat de oorspronkelijke overlangsche strepen slechts weinig meer te herkennen zijn. Steeds echter zijn de mazen van het net veel wijder dan in het eigenlijke elastische weefsel, en de vezels zelf bleeker dan die van het ligamentum nuchae en het elastische slagadervlies. Even als de elastische, blijven ook deze donkere vezels in azijnzuur

Sluiten