Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onveranderd, terwijl de zelfstandigheid der daar tusschen gelegene platte strepen licht en doorschijnend wordt, zonder ecliter geheel en al te worden opgelost. Er zijn ook nog grootere aders, waaraan het niet onmogelijk is, een binnenst vlies overlangs af te trekken, maar waar ook de ajnsle lamellen terstond overdwars scheuren. In zulke aders schijnt van het overlangsche vezelvlies slechts het nel der takkige vezels zonder verbindende zelfstandigheid te zijn overgebleven. Trekt men de dwarsbundels uit elkander, dan doen zich daartusschen overlangs loopende, netvormig anaslomoserende vezels voor, met ledige mazen, maar van aanmerkelijke dikte (11. III, lig. 13), en zulke vezels steken ook dikwijls over de randen der dwarsbundels van boven en onderen uit. Van den andeicn kant ziet men, zoo als vermeld is, het overlangsche vezelvlies der aders tot eene dikke laag ontwikkeld, bij menschen menigvuldig, bij dieren nooit, zoo dat deze hypertrophie wel ziekelijk te noemen is. De vezels, waaruit alsdan het overlangsche vezelvlies beslaat, bezitten het karakter ol der bindweefselvezels, en worden ook in fijnere fibrillen verdeeld, óf'der vezels van het kringswijze vezelvlies, welke wij zoo aanstonds zullen beschrijven.

De drie tot nog toe beschrevene lagen hebben met elkander de overlangsche rigting der ovale celkernen en der vezelvorming, waar die voorkomt, gemeen. In de nu volgende vierde laag is de langste doormeting der ovale kernen dwars, en de vezels omgeven liet vat kringswijze. Daarom wil ik deze laag kringswijs vezelvlies noemen. Zij bereikt den grootsten omvang, en van haar hangt hoofdzakelijk de aanmerkelijke dikte van den wand van grootere vaten af. In welken vorm zij zich het eerst voordoet, is reeds vroeger door ons opgegeven. In zijne verdere ontwikkeling volgt bet denzelfden gang als het overlangsche vezelvlies; maaide splijting der gelijkvormige grondlaag in platte vezels of vezelbundels treedt duidelijker te voorschijn, terwijl daarentegen de inlerstitiële donkere strepen (kernvezels) meer op den achtergrond geraken. Eerst aan vaten van 0,01ü—0,02"' doormeting veranderen de korrelige dwars ovale kernen (PI. III, fig. 8, 9, e) in donkere strepen (Fig. 10, (!), die langer en absoluut smaller zijn, 0,00o" lang op 0,0008"'breedte ; zij liggen meestal regt, somtijds ook eenigzins scheef om het overlangsche vezel vlies,

Sluiten